Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2304

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
07-11-2013
Zaaknummer
12-2941 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting en intrekking bijstand. Het college mag er vanuit gaan dat post die in de brievenbus van het woonadres van een betrokkene wordt gedaan met een uitnodiging om de daarop volgende dag bij DWI te komen, de betrokkene zo tijdig bereikt dat hij aan die uitnodiging gevolg kan geven of uitstel kan verzoeken. Appellant is niet verschenen op de oproepen en heeft de gevraagde gegevens niet overlegd.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/375
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2941 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 april 2012, 11/5313 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C. Walker, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Walker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Tjen A Kwoei.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 12 januari 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm van een alleenstaande. Hij staat sinds 1 april 2007 ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats]. Naar aanleiding van het niet verschijnen van appellant op diverse oproepen van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) en een bij DWI retour gekomen aangetekend poststuk van 23 juni 2011, heeft het college een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de DWI op 26 juli 2011 omstreeks 09.50 uur een brief in de brievenbus van het door appellante opgegeven woonadres gedeponeerd met het verzoek om op 27 juli 2011 om 10.00 uur op gesprek bij DWI te verschijnen. De DWI heeft appellant daarbij verzocht onder meer bankafschriften of transactieoverzichten van alle rekeningen waarover hij beschikt van de laatste drie maanden mee te nemen. Appellant is zonder bericht niet verschenen. Bij besluit van 27 juli 2011 heeft het college het recht op bijstand vanaf 27 juli 2011 opgeschort. De DWI heeft dit besluit op 27 juli 2011 omstreeks 10.40 uur in de brievenbus van appellant gedeponeerd. Bij dit besluit heeft de DWI appellant uitgenodigd voor een gesprek op 29 juli 2011 en hem in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen. Tevens is appellant gewezen op de mogelijkheid dat zijn bijstand wordt beëindigd indien hij niet aan dit verzoek voldoet. Ook op deze oproep heeft appellant niet gereageerd. Het college heeft vervolgens bij besluit van 29 juli 2011 de bijstand van appellant met ingang van 27 juli 2011 ingetrokken.

1.2.

Bij besluit van 27 september 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 27 juli 2011 en 29 juli 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.



3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft hiertoe - samengevat - aangevoerd dat hij de brief van 26 juli 2011 niet heeft ontvangen. Om die reden valt het hem redelijkerwijs niet te verwijten dat hij niet is verschenen op de oproep van

27 juli 2011 en hij de achteraf bezien uiterst korte, hersteltermijn ongebruikt heeft laten verstrijken. Voorts had het college bij de beoordeling rekening dienen te houden met de bij appellant bestaande lichamelijke- en psychische klachten, die bij het college bekend waren. Tot slot voert appellant aan dat hij niet verplicht is elke dag zijn brievenbus te legen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de WWB kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten. Artikel 54, tweede lid, van de WWB bepaalt dat het college aan de belanghebbende mededeling doet van de opschorting en hem uitnodigt binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de oproep van 26 juli 2011 om op 27 juli 2011 op het kantoor van de DWI te verschijnen. De stelling van appellant dat hij de uitnodiging van 26 juli 2011 niet heeft ontvangen, is niet aannemelijk gemaakt. Uitgaande wat de handhavingspecialist in zijn rapport van bevindingen van 29 juli 2011 heeft verklaard, is de uitnodiging op 26 juli 2011 in de brievenbus op het adres van appellant gedeponeerd. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRvB 30 augustus 2011,

ECLI:NL:CRVB:2011:BR7001) wordt aan een verklaring van een handhavingspecialist, opgenomen in een op ambtsbelofte opgemaakt rapport, bijzondere betekenis toegekend. Geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen de handhavingspecialist in zijn rapport heeft verklaard. Het college mag er vervolgens in beginsel vanuit gaan dat post die in de brievenbus van het woonadres van een betrokkene wordt gedaan met een uitnodiging om de daarop volgende dag bij DWI te komen, de betrokkene zo tijdig bereikt dat hij aan die uitnodiging gevolg kan geven of uitstel kan verzoeken. Indien appellant deze, voor hem bestemde en op de gebruikelijke wijze bezorgde, post niet heeft ontvangen, komt dit voor zijn risico (vergelijk CRvB 8 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8139). Het voorgaande betekent dat appellant onvoldoende medewerking heeft verleend als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de WWB.

4.3.

Uit 4.2 vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB is voldaan. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand van appellant met ingang van 27 juli 2011 gebruik heeft kunnen maken.

4.4.

Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4.5.

Vaststaat dat appellant niet is verschenen op de oproep van 27 juli 2011 om op 29 juli 2011 bij DWI te verschijnen. Voorts staat vast dat de in de oproep vermelde, door appellant mee te nemen gegevens, van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en dat appellant deze gegevens niet binnen de hersteltermijn heeft overgelegd. Niet is gebleken dat appellant hiervan geen verwijt kan worden gemaakt. Wat er zij van zijn stelling dat hij niet verplicht is om elke dag zijn brievenbus te legen, kennelijk heeft appellant zijn brievenbus in de periode van 27 juli 2011 tot en met 29 juli 2011 niet geleegd. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn medische klachten hem verhinderen om op adequate wijze met zijn post om te gaan. Door niet tijdig zijn brievenbus te legen heeft appellant de gelegenheid om het verzuim te herstellen ongebruikt gelaten. Uit het voorgaande volgt dat ook aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB is voldaan. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2013.

(getekend) M. Hillen

(getekend) V.C. Hartkamp

HD