Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2303

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
07-11-2013
Zaaknummer
12-4012 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel. Niet meewerken aan verplichtingen tot arbeidsinschakeling.

Onderschreven wordt het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat de handelwijze van het college ten aanzien van de beoogde overgang van betrokkene van traject E naar traject T niet is gebaseerd op een zorgvuldige, op betrokkene toegesneden en voor haar kenbare afweging.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 9
Wet werk en bijstand 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/188
USZ 2013/376
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4012 WWB, 12/4013 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2012, 12/301 en 12/1398 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. P. Hanenberg, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Dinҫ. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Hanenberg.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontvangt sinds 1 juni 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Na eerdere ontheffing van diverse arbeidsverplichtingen op medische gronden is betrokkene op 1 september 2009 en

18 november 2009 arbeidsmedisch onderzocht door Aob Compaz. De conclusie was dat betrokkene mogelijkheden tot arbeidsinpassing heeft en geadviseerd is haar aan te melden voor directe bemiddeling naar werk voor twintig uur per week, waarbij rekening wordt gehouden met haar beperkingen. Betrokkene is vervolgens aangemeld voor het traject ExIT van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe) van de gemeente Rotterdam (traject E) met als doel uitstroom naar reguliere arbeid te bevorderen door middel van intensieve begeleiding. Daartoe is op 23 december 2009 een trajectplan getekend. De maximale duur van het traject is daarbij bepaald op twee jaar.

1.2.

Betrokkene is medio augustus 2011 uitgenodigd voor een bijeenkomst op 17 augustus 2011 waar groepsgewijs voorlichting werd gegeven over het traject Tarwewijk Werkt

(traject T). Per e-mail heeft betrokkene op deze uitnodiging gereageerd. Zij is niet verschenen. Betrokkene is opnieuw voor een bijeenkomst op 24 augustus 2011 uitgenodigd maar wederom niet verschenen. Bij brief van 1 september 2011 is betrokkene door N. Benali, werkzaam bij SDWork B.V. (SDW) en projectleider van Tarwewijk Werkt, uitgenodigd op

8 september 2011 voor een startbijeenkomst voor deelname aan traject T. Hierbij is aangegeven dat betrokkene zal worden geïnformeerd over het verloop van het traject alsmede dat in aansluiting op deze bijeenkomst een vragenlijst moet worden ingevuld om de mogelijkheden van betrokkene voor werk te beoordelen. Betrokkene is niet verschenen. Bij besluit van 22 september 2011 (besluit 1) heeft appellant de bijstand van betrokkene met ingang van 1 oktober 2011 verlaagd met 30% voor de duur van een maand. Daaraan is ten grondslag gelegd dat betrokkene zonder bericht niet is verschenen voor een onderzoek naar de mogelijkheden voor arbeidsinschakeling.

1.3.

Bij brief van 19 september 2011 heeft SoZaWe betrokkene voor 26 september 2011 uitgenodigd voor een gesprek over maatregelwaardig gedrag omdat betrokkene herhaaldelijk niet op afspraken voor traject T verschijnt. Bij herhaalde oproep van 10 oktober 2011 is betrokkene opnieuw uitgenodigd voor een bijeenkomst over traject T op 13 oktober 2011. Daarbij is aangegeven dat betrokkene uitleg krijgt over de werkstage met daaruit voortvloeiend een betaalde baan en tevens een uitgebreide test. Bij besluit van 20 oktober 2011 (besluit 2) is de bijstand van betrokkene met ingang van 1 november 2011 verlaagd met 100% gedurende een maand op de grond dat betrokkene bij SDW een participatieplaats of stageplek heeft geweigerd.

1.4.

Bij besluit van 18 november 2011 (besluit 3) heeft appellant de bijstand van betrokkene met ingang van 1 december 2011 verlaagd met 100% voor de duur van twee maanden. Daaraan is ten grondslag gelegd dat zij wederom zonder bericht niet is verschenen bij de SDW voor een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

1.5.

Bij besluit van 16 december 2011 (bestreden besluit 1) is het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Bij besluit van 15 februari 2012 (bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen de besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten, de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat de besluiten 1, 2 en 3 worden herroepen. Daartoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen (waarbij betrokkene als eiseres en appellant als verweerder zijn aangeduid).

“5.1. Niet in geschil is dat eiseres geen gehoor heeft gegeven aan de diverse uitnodigingen voor het traject Tarwewijk Werkt en daarmee geweigerd heeft de verplichtingen voortvloeiende uit de Wwb na te komen. De vraag die derhalve voorligt, is of eiseres dienaangaande een verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank overweegt ter zake het volgende.

5.2.

Op grond van onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 13 maart 2012, LJN: BV8884, is het niet aan de belanghebbende maar aan het college om te bepalen welke re-integratievoorziening voor de belanghebbende is aangewezen om het uiteindelijk beoogde doel (arbeidsinschakeling) te bereiken. Hiertoe is echter wel vereist dat het college maatwerk levert en de voorziening het resultaat is van een zorgvuldige, op de persoon toegesneden, afweging. Het college dient voorts aan de belanghebbende kenbaar te maken waaruit de voorziening concreet bestaat, waarom deze voorziening, gelet op de individuele feiten en omstandigheden, is aangewezen en welk tijdspad wordt gevolgd.

5.3.

Uit de bestreden besluiten en het verhandelde ter zitting is de rechtbank niet kunnen blijken dat aan eiseres is medegedeeld dat het traject ExIT voor haar was beëindigd. Nu eiseres zich steeds expliciet heeft beroepen op het feit dat zij deelnam aan het traject ExIT en om die reden niet aan het traject Tarwewijk Werkt hoeft deel te nemen, had het op de weg van verweerder gelegen om aan eiseres kenbaar te maken dat het traject ExIT voor eiseres was beëindigd en om welke reden. Voor zover verweerder in bestreden besluit 2 heeft betoogd dat eiseres bekend was met de beëindiging van het traject ExIT, wijst de rechtbank er op dat de medewerkers van verweerder, blijkens de door verweerder overgelegde Raak-overzichten gedurende langere tijd niet eens bekend waren met het gegeven dat eiseres deelnam of deel had genomen aan het ExIT-traject. Daarnaast overweegt de rechtbank dat verweerder eiseres tevens had dienen te informeren waar het traject Tarwewijk Werkt als voorziening uit bestond, waarom deze voorziening gelet op de feiten en omstandigheden eiseres aangaande, meer geschikt of beter passend is dan het traject ExIT. Dit geldt eens te meer nu uit verweerders Re-integratieladder blijkt dat het traject ExIT een traject is met meer intensieve, persoonlijke begeleiding dan het traject Tarwewijk Werkt en eiseres ondanks die intensieve persoonlijke begeleiding niet is uitgestroomd naar reguliere arbeid. Indien verweerder van mening is dat eiseres zich tijdens dat traject verwijtbaar heeft gedragen, had het op zijn weg gelegen om met betrekking tot die gedragingen te bezien of er een maatregel had moeten worden opgelegd. (…)”.

3.

In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Onderschreven wordt het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat de handelwijze van appellant ten aanzien van de beoogde overgang van betrokkene van traject E naar traject T niet is gebaseerd op een zorgvuldige, op betrokkene toegesneden en voor haar kenbare afweging. Mede in het licht van de destijds door Aob Compaz aanbevolen en gevolgde aanpak, waarbij individuele en intensieve begeleiding van betrokkene voorop stond, had appellant het einde van traject E op voor betrokkene meer kenbare wijze dienen te markeren en beter dienen te motiveren. Dit klemt te meer waar de aanvang van dat traject wel met de nodige zorgvuldigheid en formaliteiten (waaronder het tekenen van een trajectplan) gepaard is gegaan.

4.2.

Anders dan appellant stelt kan uit de e-mailberichten van de verschillende medewerkers van SoZaWe en SDW richting betrokkene en omgekeerd niet zonder meer worden afgeleid dat het betrokkene vanaf medio juni 2011 duidelijk was dat traject E voor haar was beëindigd. Voorts wordt met de rechtbank geoordeeld dat van een automatische “follow up” in traject T geen sprake kon zijn. Betrokkene was blijkbaar onveranderd op intensieve begeleiding aangewezen en traject T biedt minder intensieve en persoonlijke begeleiding dan traject E.

4.3.

Onder deze omstandigheden kan betrokkene niet worden tegengeworpen en aangerekend dat zij niet is ingegaan op de uitnodigingen voor groepsgewijze kennismakings-/ voorlichtingsbijeenkomsten voor traject T. Dat betrokkene, door niet te verschijnen op deze bijeenkomsten, het voor appellant onmogelijk zou hebben gemaakt maatwerk te leveren, kan niet worden gevolgd. Het lag immers op de weg van appellant betrokkene voorafgaand aan een eventuele overgang naar een ander traject duidelijk te maken dát en waarom traject E niet langer geschikt voor haar was en dit traject voor het verstrijken van de in het trajectplan opgenomen (maximum) termijn van twee jaren zou worden beëindigd, alsmede dát en waarom in aansluiting daarop traject T was aangewezen. Daartoe bestond te meer aanleiding nu traject T, blijkens de bij de stukken gevoegde omschrijving, een algemene oriëntatiefase van vier maanden kent waarbij geen intensieve begeleiding wordt gegeven. Dat zodanige begeleiding in het geval van betrokkene niet meer nodig was, is niet uit een nader arbeidsmedisch onderzoek of anderszins gebleken.

4.4.

In het voorgaande ligt besloten dat de Raad net als de rechtbank geen aanleiding ziet, wat betreft de kenbaarheid voor betrokkene van de (impliciete) beëindiging van traject E, een nader onderscheid te maken tussen de tijdstippen waarop de besluiten 1, 2 en 3 zijn genomen. Uit de stukken kan worden afgeleid dat ook appellant dit onderscheid niet heeft gemaakt en dat de betreffende besluiten volgtijdelijk en in elkaars verlengde zijn genomen, zonder dat betrokkene daarbij duidelijk is gemaakt dát en waarom traject E niet langer geschikt voor haar was en in aansluiting daarop traject T aangewezen was.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.

5.

De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 944,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 944,-;

- bepaalt dat van het college een griffierecht wordt geheven van € 466,-.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) T.A. Meijering

HD