Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2302

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
12-4599 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging toeslag van 20% naar 10%. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat M zorgbehoevend was, zodat zij ook M moest verzorgen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de brief van de huisarts van 9 augustus 2011 daartoe onvoldoende is. Appellante heeft haar zoon niet verzocht een bijdrage te leveren in de noodzakelijke bestaanskosten. De enkele gestelde omstandigheid dat dit voor de zoon vanwege de hoogte van zijn Wajong-uitkering niet mogelijk zou zijn, regardeert appellante niet en leidt voor haar dan ook niet tot onbillijkheden van overwegende aard als bedoeld in artikel 9 van de Toeslagenverordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4599 WWB

Datum uitspraak: 5 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 juli 2012, 12/2451 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.C. Blok, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Blok. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. De bijstand was verhoogd met een toeslag van 20% van het wettelijk minimumloon. Appellante had weliswaar een inwonende, meerderjarige zoon, die ten tijde van belang een uitkering ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (wet Wajong) ontving, maar omdat zij haar zoon verzorgde, was de bijstand op grond van de Toeslagenverordening WWB 2010 van de gemeente Leiden (Toeslagenverordening) verhoogd met de maximale toeslag.

1.2.

Bij besluit van 28 april 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 februari 2012 (bestreden besluit), heeft het college de toeslag van appellant van 20% per 15 mei 2011 verlaagd naar 10%. Aan de besluitvorming heeft het college, samengevat, ten grondslag gelegd dat [M.] (M), de verloofde van de zoon van appellante, op het adres van appellante is komen wonen. Als gevolg daarvan is niet langer sprake van een ouder met een volwassen zorgbehoevend kind en heeft zij recht op een toeslag van 10% aangezien zij de woonlasten met haar zoon en M kan delen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3, derde lid, onder c, van de Toeslagenverordening, aangezien M bij appellante is ingetrokken. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar betoog dat het college toepassing had moeten geven aan de in artikel 9 van de Toeslagenverordening opgenomen hardheidsclausule. Appellante heeft met het briefje van haar huisarts van 9 augustus 2011 dat M niet voor haar zoon kan zorgen niet inzichtelijk gemaakt dat sprake is van een bijzonder geval en dat strikte toepassing van de Toeslagenverordening tot onbillijkheden van zwaarwegende aard leidt.

3.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar geval bijzonder is, omdat ook M zorgbehoevend is. De omstandigheid dat M bij appellante is ingetrokken, heeft geleid tot een verzwaring van haar taken.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, verhoogt het college de norm met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.

4.2.

In artikel 3, tweede lid, van de Toeslagenverordening is bepaald dat de toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet tien procent van de gehuwdennorm bedraagt als de alleenstaande of alleenstaande ouder in een woning woont waar tevens een ander zijn hoofdverblijf heeft.
In artikel 3, derde lid, aanhef en onder c, van de Toeslagenverordening is bepaald dat de toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet in afwijking van het tweede lid twintig procent van de gehuwdennorm bedraagt als de alleenstaande of alleenstaande ouder in een woning woont waarin uitsluitend een ander zijn hoofdverblijf heeft, die behoort tot de volgende categorieën van personen: verzorgingsbehoevenden die door de belanghebbende worden verzorgd of personen die de verzorgingsbehoevende belanghebbende verzorgen.

Ingevolge artikel 9 van de Toeslagenverordening kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende worden afgeweken van de bepalingen in de verordening, als strikte toepassing ervan tot onbillijkheden van zwaarwegende aard zou leiden.

4.3.

Niet in geschil is dat sinds M bij appellante was ingetrokken het bepaalde in artikel 3, derde lid, aanhef en onder c, van de Toeslagenverordening niet meer van toepassing was en dat appellante op grond van het tweede lid van dat artikel recht had op een toeslag van 10%. Uitsluitend is nog in geschil of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 9 van de Toeslagenverordening.

4.4.

Deze vraag beantwoordt de Raad, evenals de rechtbank, ontkennend. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat M zorgbehoevend was, zodat zij ook M moest verzorgen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de brief van de huisarts van 9 augustus 2011 daartoe onvoldoende is. In deze brief staat alleen dat M astma heeft en hierdoor zodanig ziek is dat zij niet de zorg voor de zoon van appellante op zich kan nemen. Eerst ter zitting van de Raad heeft appellante aangevoerd dat M onder behandeling is van een longarts. De gemachtigde van appellante heeft te kennen gegeven dat M op 18 september 2013 een machtiging aan de gemachtigde heeft verstrekt, waarmee gegevens bij deze arts zijn opgevraagd, met het verzoek die - nog te ontvangen - gegevens in het geding te brengen. Gezien het late tijdstip van dit verzoek ziet de Raad echter geen aanleiding om tegemoet te komen aan dit verzoek.

4.5.

Ter zitting heeft appellante aangevoerd dat strikte toepassing van de Toeslagenverordening leidt tot onbillijkheden van zwaarwegende aard, aangezien de Wajong-uitkering van haar zoon onvoldoende was om een bijdrage te leveren in de noodzakelijke bestaanskosten, het college niet wilde bijspringen en pas na verloop van tijd bleek dat M recht had op een heffingskorting. Appellante heeft haar zoon echter niet verzocht een bijdrage te leveren in de noodzakelijke bestaanskosten. De enkele gestelde omstandigheid dat dit voor de zoon vanwege de hoogte van zijn Wajong-uitkering niet mogelijk zou zijn, regardeert appellante niet en leidt voor haar dan ook niet tot onbillijkheden van overwegende aard als bedoeld in artikel 9 van de Toeslagenverordening.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2013.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) O.P.L. Hovens

ew