Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2300

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
12-4677 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4677 WWB

Datum uitspraak: 5 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 6 juli 2012, 12/110 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2013. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.M.M. Adema.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 13 juli 2011 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Op het aanvraagformulier heeft hij als woonadres[woonadres] te [naam gemeente] (woonadres) opgegeven.

1.2.

Het college heeft een onderzoek verricht naar de woonsituatie van appellant. In dat kader heeft een toezichthouder van de Sociale Recherche Twente (sociale recherche) op 26 juli 2011 een gesprek gevoerd met appellant. Tijdens dat gesprek heeft appellant verklaard dat hij een kamer had gehuurd op het woonadres en dat hij daar sinds 8 juli 2013 woont. Aansluitend aan het gesprek heeft de sociale recherche een huisbezoek afgelegd aan het woonadres. Daarbij is alleen wat kleding aangetroffen waarover appellant verklaarde dat die van hem was. De hoofdbewoner van het woonadres heeft bij dit huisbezoek verklaard dat appellant nog geen nacht op zijn kamer had doorgebracht. Appellant heeft hierop gereageerd met de mededeling dat hij had gelogen over zijn verblijf. De bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche zijn neergelegd in een rapport van 1 augustus 2011.

1.3.

In de onderzoeksbevindingen heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van

2 augustus 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 november 2011 (bestreden besluit), de aanvraag af te wijzen op de grond dat appellant niet zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Het rapport van de sociale recherche biedt voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant ten tijde van belang zijn hoofdverblijf niet op het woonadres had. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel faalt. Van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging van het tot beslissen bevoegde orgaan is geen sprake. Bovendien heeft de rapportage van 7 juli 2011 waarnaar appellant ter onderbouwing van zijn beroep op het vertrouwensbeginsel heeft verwezen betrekking op een eerdere aanvraag om bijstand. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat appellant onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt over zijn feitelijke woonadres. Daarmee is hij tekort geschoten in de nakoming van de op hem rustende inlichtingenverplichting. Als gevolg van deze schending kan niet worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate appellant ten tijde van belang verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden.

3.

Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat hij zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, dat zijn woonsituatie wel kan worden vastgesteld en dat de in de aangevallen uitspraak genoemde rapportage van 7 juli 2011 een toezegging van het college aan appellant bevat over het bij wijze van voorschot verstrekken van huur en een eventuele waarborgsom.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd en die een herhaling zijn van hetgeen hij in beroep had aangevoerd, vormen geen aanleiding om in andere zin dan de rechtbank te oordelen. De Raad voegt hier nog aan toe dat de rapportage van 7 juli 2011 betrekking heeft op een aanvraag om bijstand van appellant in de gemeente Almelo. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2013.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) O.P.L. Hovens

JvC