Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2299

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
12-1571 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1571 WWB

Datum uitspraak: 5 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2012, 11/6246 en 12/132 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te[woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N. Baouch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2013. Namens appellante is verschenen, mr. Baouch. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. A.C. van Helvoort.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 4 augustus 2011 heeft appellante zich gemeld om bijstand aan te vragen op grond van de Wet werk en bijstand. Zij heeft daarbij opgegeven als alleenstaande te wonen op het adres [woonadres] te[woonplaats] (woonadres). Op 15 augustus 2011 heeft een intakegesprek plaatsgevonden en heeft appellante de aanvraag om bijstand ingediend. Tijdens het intakegesprek is onder meer aan de orde gekomen dat in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het woonadres, naast appellante, nog twee personen stonden ingeschreven, te weten [Y.] (Y), de toenmalige vriend van appellante, en diens zus. Appellante heeft kenbaar gemaakt dat deze personen daar niet meer wonen. Hierin heeft de afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) aanleiding gezien een onderzoek in te stellen naar de woonsituatie van appellante. In dat kader heeft een handhavingsspecialist van de DWI op 22 augustus 2011 een gesprek gevoerd met appellante en aansluitend aan dat gesprek een huisbezoek afgelegd aan het woonadres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 augustus 2011. Op diezelfde datum heeft Y zich van het woonadres van appellante laten uitschrijven. Zijn zus had zich op 21 augustus 2011 van dat adres laten uitschrijven.

1.2.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

23 augustus 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 november 2011 (bestreden besluit), de aanvraag om bijstand af te wijzen. Aan de besluitvorming is, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Uit de bevindingen van het huisbezoek is naar voren gekomen dat Y woonde op het woonadres. Aangezien de woonsituatie niet conform de opgave van appellante was, heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.3.

Het college heeft appellante met ingang van 30 november 2011 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. De onderzoeksbevindingen bieden geen toereikende grondslag voor de conclusie dat Y ten tijde van belang zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Dat er tijdens het huisbezoek nog wat kleding en post van Y in de woning van appellante is aangetroffen, is tegen de achtergrond van het eerdere hoofdverblijf van Y in de woning verklaarbaar. Appellante heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting niet geschonden. Zij heeft immers tijdens het intakegesprek voldoende inlichtingen over haar woonsituatie verstrekt, namelijk dat twee personen bij haar ingeschreven stonden en dat die personen sinds mei 2011 feitelijk niet meer bij haar wonen, maar dat er nog wel spullen van Y in haar woning lagen. Het is dan vervolgens aan het bestuursorgaan om de inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Het college heeft, door slechts een huisbezoek af te leggen, te weinig onderzoek verricht naar de feitelijke woonsituatie van appellante. Het college had door middel van een simpel buurtonderzoek kunnen vaststellen dat Y ten tijde van belang feitelijk niet woonachtig is geweest bij appellante.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 4 augustus 2011, de datum waarop appellante zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 23 augustus 2011, de datum van het besluit waarbij haar aanvraag om bijstand is afgewezen (periode in geding).

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Anders dan appellante en met de rechtbank en het college is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag vormen voor de conclusie dat Y in de periode in geding zijn hoofdverblijf had op het woonadres.

4.3.1.

Appellante heeft tijdens het gesprek op 22 augustus 2011 onder meer verklaard dat Y, haar vriend, nog wel staat ingeschreven op het woonadres, maar daar sinds mei 2011 niet meer woont, dat Y dagelijks op het woonadres komt, dat hij daar ook nog persoonlijke spullen heeft liggen, zoals kleding, toiletartikelen en administratie en dat Y en zijn zus nu beiden wonen op het adres van de vader van appellante, maar dat zij niet weet welk adres dat is. Appellante betwist te hebben verklaard dat Y dagelijks op het woonadres komt. Zij heeft haar verklaring, opgenomen in een formulier ‘Verklaring klant en/of partner’, echter per pagina ondertekend en op dat formulier aangekruist dat de inhoud van de verklaring overeenkomt met wat zij mondeling heeft verklaard. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat een uitzondering moet worden gemaakt op het algemene uitgangspunt dat mag worden uitgegaan van de juiste weergave van de aanvankelijk tegenover een handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring.

4.3.2.

Volgens het rapport van 22 augustus 2011 heeft de handhavingsspecialist van de DWI tijdens het huisbezoek in zowel de slaapkamer als de badkamer een grote hoeveelheid kledingstukken van Y aangetroffen, zowel onder- als bovenkleding en ook twee paar schoenen en pantoffels. Voorts bevond zich in het dressoir in de woonkamer een grote hoeveelheid aan Y gerichte poststukken, geadresseerd aan het woonadres, en voorts onder meer drie cursusmappen, een tondeuse en een baardtrimmer van Y. Ook in de lades van het

tv-meubel bevonden zich poststukken gericht aan Y en geadresseerd aan het woonadres. In de badkamer bevonden zich diverse toiletartikelen van Y. Appellante heeft deze bevindingen in die zin betwist dat zij stelt dat tijdens het huisbezoek in haar woning alleen nog enkele kledingstukken van Y aanwezig waren en dat alleen in het dressoir enkele poststukken van Y lagen. Appellante heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat en waarom zou moeten getwijfeld aan de inhoud van het op ambtsbelofte opgemaakte rapport van 22 augustus 2011, waarin de bevindingen tijdens het huisbezoek zijn opgenomen. De enkele betwisting van die bevindingen is daarvoor in ieder geval onvoldoende.

4.4.

In hoger beroep heeft appellante een drietal schriftelijke verklaringen van buurtbewoners, gedateerd eind maart/begin april 2012, ingezonden, inhoudende dat Y en zijn zus sinds mei 2011 niet meer op het woonadres wonen. In het licht van in 4.3.1 en 4.3.2 vermelde onderzoeksbevindingen komt aan deze verklaringen niet die betekenis toe die appellante daaraan gehecht wenst te zien.

4.5.

Gelet op de omstandigheid dat op diverse plaatsen in de woning van appellante grote hoeveelheid kledingstukken en poststukken van Y zijn aangetroffen, en zich in die woning toiletartikelen, cursusmateriaal, een tondeuse en een baardtrimmer van Y bevonden, is er, anders dan appellante heeft betoogd, geen reden om aan te nemen dat Y in mei 2011 elders is gaan wonen en dat toen nog wat kleding en administratie van hem in de woning zijn blijven liggen.

4.6.

De beroepsgrond van appellante dat, kort gezegd, het college zijn onderzoeksplicht heeft verzaakt, door na te laten een buurtonderzoek te laten verrichten, slaagt niet. Het college heeft immers de informatie die appellante tijdens het intakegesprek had verstrekt op juistheid en volledigheid gecontroleerd door eerst een gesprek met haar te voeren en aansluitend aan dat gesprek een huisbezoek af te leggen aan het woonadres. Gezien de onderzoeksbevindingen en gelet op 4.2 valt niet in te zien dat het college in het kader van zijn onderzoeksplicht ook nog een buurtonderzoek had moeten laten verrichten om de door appellante verstrekte informatie op juistheid en volledigheid te controleren.

4.7.

De beroepsgrond dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden slaagt niet. Zij heeft immers bij haar aanvraag opgegeven alleenstaande te zijn en niet gemeld dat Y in de periode in geding zijn hoofdverblijf had op het woonadres. In aanmerking genomen dat appellante heeft volhard in haar stelling dat Y in die periode niet op het woonadres woonde, kan als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

4.8.

Uit 4.2 tot en met 4.7 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2013.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) O.P.L. Hovens

JvC