Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2298

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
13-2221 BESLU
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekennen schadevergoeding. Proceskostenveroordeling. Overschrijding van de redelijke termijn zowel in de rechterlijke als in de bestuurlijke fase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2221 BESLU, 13/2222 BESLU

Datum uitspraak: 31 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Staat der Nederlanden (Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)

de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (commissie)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 23 december 2010, kenmerk 008144/CAOR.

Bij uitspraak van 16 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0314, heeft de Raad op dit beroep beslist. In die uitspraak heeft de Raad bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarbij heeft de Raad tevens de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Namens de Staat heeft drs. B.E.J. Klein Schiphorst een schriftelijke uiteenzetting gegeven, waarop betrokkene heeft gereageerd.

Namens de commissie heeft mr. L.H.G. Belleflamme een reactie ingezonden.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

In zijn uitspraak van 16 mei 2013 heeft de Raad vastgesteld dat vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift op 29 maart 2010 tot aan de datum van bedoelde uitspraak ruim drie jaren zijn verstreken. Dit is meer dan de twee en een half jaar, die in beginsel geldt voor een procedure in twee instanties. Voorts is vastgesteld dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn in zowel de bestuurlijke als de rechterlijke fase is overschreden.

2.

Namens de Staat is erkend dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden en dat betrokkene in verband daarmee een vergoeding van € 500,- toekomt. Verzoeker heeft zich akkoord verklaard met dit bedrag.

3.

Ook de commissie heeft erkend dat, nu de bezwaarprocedure circa acht maanden in beslag heeft genomen, de termijn in artikel 6 EVRM is overschreden. Zij verzocht de Raad de hoogte van de schadevergoeding in goede justitie te bepalen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vaststaat dat zowel in de rechterlijke als in de bestuurlijke fase sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van in totaal ruim zeven maanden, hetgeen bij een vergoeding van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan leidt tot een maximale schadevergoeding van € 1.000,-.

4.2.

De Staat heeft reeds een vergoeding van € 500,- toegezegd in verband met een overschrijding in de rechterlijke fase van vier maanden. Dit betekent dat verzoeker daarnaast nog een bedrag van € 500,- toekomt ten laste van de commissie. De Raad zal de Staat en de commissie tot vergoeding van deze bedragen veroordelen.

5.

Tot slot wordt aanleiding gezien de Staat te veroordelen in de proceskosten van verzoeker in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 236,-, te weten 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke reactie op de uiteenzetting van de Staat. In de procedure tegen de commissie is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt de Staat tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 500,-;

- veroordeelt de commissie tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 500,-;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 236,-.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) P.W.J. Hospel

HD