Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2293

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
12-3721 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Schending van de wettelijke inlichtingen- en medewerkingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3721 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 mei 2012, 11/6051 en 11/6052 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2013. Namens appellante is verschenen mr. Willering. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D.A. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 26 augustus 2011 een aanvraag gedaan om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand. Daarbij heeft zij aangegeven thuisloos te zijn. De afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) heeft in verband daarmee een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellante. In dat kader heeft appellante drie zogeheten zevendagenformulieren ingeleverd met adressen waar zij in de periode van 26 augustus 2011 tot en met 20 september 2011 heeft overnacht. Hieruit is naar voren gekomen dat appellante in deze periode op diverse adressen en veelvuldig buiten Amsterdam heeft verbleven. Op 21 september 2011 heeft appellante op een daartoe bestemd formulier ‘Opgave verblijfslocatie(s) dak- thuisloze’ vier verblijfadressen in Amsterdam opgegeven. Uit het rapport van 30 september 2011, waarin de DWI de bevindingen van het onderzoek heeft neergelegd, komt het volgende naar voren. De DWI heeft op 28 en 29 september 2011 telefonisch contact met appellante opgenomen voor het afleggen van een huisbezoek aan (één van) de opgegeven verblijfadressen. Bij het telefonisch onderhoud op 28 september 2011, om 8.25 uur, heeft appellante kenbaar gemaakt te verblijven in [plaatsnaam 1], bij haar zoon, dat ze door een val een blessure aan haar knie had opgelopen en dat ze, omdat de dokter rust had voorgeschreven, nog wel een week in [plaatsnaam 1] zou verblijven. Tijdens het telefonisch onderhoud op 29 september 2011, om 12.30 uur, heeft appellante kenbaar gemaakt in Amsterdam te zijn, dat ze de afgelopen nacht heeft geslapen op de [adres 1] - één van de vier opgegeven verblijfadressen in Amsterdam - en dat ze nog niet wist waar ze de komende nacht zou verblijven. Nadat de DWI-medewerker tijdens dat telefoongesprek kenbaar had gemaakt dat de DWI door middel van een huisbezoek wil controleren waar zij verblijft, heeft appellante verklaard dat ze heel vroeg, nog voor het licht wordt, op de fiets van haar verblijfadressen vertrekt om de bewoners niet tot last te zijn en dat ze dan ergens op een bankje gaat zitten schrijven. Op 30 september 2011 heeft de DWI tweemaal getracht telefonisch contact te krijgen met appellante met het doel een huisbezoek af te leggen. De eerste maal, om 7.10 uur, nam appellante wel op, maar verbrak zij direct de verbinding, de tweede maal, om 7.12 uur, nam appellante niet op.

1.2.

Bij besluit van 4 oktober 2011 heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Hieraan is, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Door het college niet op de hoogte te stellen van haar verblijf in [plaatsnaam 1], heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Door op 30 september 2011 eerst de telefoonverbinding te verbreken en vervolgens niet op te nemen, heeft appellante de op haar rustende medewerkingsverplichting geschonden. Als gevolg van deze schendingen kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.3.

Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft appellante verklaard dat zij op 30 september 2011 in bus 170 naar Amsterdam zat, dat zij de telefoonverbinding had verbroken, omdat ze in bus toch niets kon horen en dat ze daarna niet heeft gehoord dat de telefoon overging, omdat de telefoon in haar broekzak zat.

1.4.

Bij besluit van 5 december 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 oktober 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover het betreft de ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat zij voldoende inlichtingen heeft verstrekt, zodat het college in staat was te beoordelen of appellante in aanmerking kwam voor bijstand.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 26 augustus 2011 (datum aanvraag) tot en met 4 oktober 2011 (datum afwijzingsbesluit).

4.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Voor een juiste toepassing van de WWB is het van essentieel belang dat duidelijkheid bestaat over de woon- en verblijfplaats van de belanghebbende. In een aanvraagsituatie ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 21 mei 2013, ECLI:NL:2013:CAO554), geldt dit ook voor iemand die stelt dakloos te zijn. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de belanghebbende niet aan de wettelijke inlichtingen- en medewerkingsverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Vaststaat dat appellante op 28 september 2011 in [plaatsnaam 1] heeft verbleven en dat zij dat niet aan het college had gemeld. Evenmin heeft appellante het college ervan op de hoogte gesteld dat zij, anders dan zij tijdens het telefonisch onderhoud op 28 september 2011 had verklaard, nog diezelfde dag in Amsterdam was teruggekeerd en heeft geslapen op één van de vier door haar opgegeven adressen.

4.4.

Door de gang van zaken op 30 september 2011 heeft het door de DWI noodzakelijk geachte huisbezoek geen doorgang kunnen vinden. Op die datum heeft appellante, nadat ze de verbinding had verbroken en vervolgens de telefoon niet meer had opgenomen, ook zelf geen contact meer opgenomen met de DWI, terwijl de DWI haar tijdens het telefonisch onderhoud op 29 september 2011 nog kenbaar had gemaakt een huisbezoek te willen afleggen om te controleren waar zij verbleef.

4.5.

De verklaring die appellante tijdens de hoorzitting heeft gegeven voor het verbreken van de verbinding en het niet opnemen van de telefoon hebben de reeds bestaande onduidelijkheid over haar woonsituatie alleen nog maar vergroot. Zij verklaarde bij die gelegenheid immers in de bus te zitten, terwijl zij tijdens het telefoongesprek op 29 september 2011 had gezegd dat ze op de fiets van de verblijfadressen vertrekt. Bovendien betrof het een bus naar Amsterdam, de vraag vanaf waar appellante dan was vertrokken, is tot op heden onbeantwoord gebleven.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat appellante onvoldoende informatie heeft gegeven over haar woonsituatie en onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek van de DWI naar haar woonsituatie. Gelet hierop is de Raad met de rechtbank en het college en anders dan appellante van oordeel dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden en dat als gevolg van deze schending het recht op bijstand niet is vast te stellen. Hieruit vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2013.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) O.P.L. Hovens

HD