Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2292

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
12-3853 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3853 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 mei 2012, 12/384 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te[woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.A. van Harmelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. N. Achahbar, kantoorgenoot van mr. Van Harmelen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 13 november 1995 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante woont sinds 28 maart 2002 met haar drie kinderen aan de [adres 1] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Zij is gehuwd met [B.] (B), de vader van de kinderen. B staat sinds 10 november 2006 ingeschreven op het adres[adres 2] te [woonplaats].

1.2.

Naar aanleiding van een bij de Belastingdienst ingekomen anonieme melding dat appellante op haar adres samenwoont met haar man, heeft een medewerker van de afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente ’s-Gravenhage (ABO) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft dossieronderzoek plaatsgevonden, zijn in de periode van 9 juni 2011 tot en met 23 juni 2011 waarnemingen verricht bij de woning van appellante, heeft een onaangekondigd huisbezoek plaatsgevonden en heeft appellante op 7 juli 2011 een verklaring afgelegd.

1.3.

De onderzoeksresultaten, neergelegd in een rapport van 19 juli 2011, zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 31 augustus 2011 de bijstand van appellante met ingang van 1 augustus 2011 in te trekken. Vervolgens heeft het college bij besluit van 7 september 2011 de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 juli 2011 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 7.628,88 van haar teruggevorderd. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante, zonder daarvan melding te maken aan het college, sinds 1 januari 2011 een gezamenlijke huishouding voert met B.

1.4.

Bij besluit van 5 december 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 31 augustus 2011 en 7 september 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat zij door middel van schriftelijke verklaringen van onder meer B en omwonenden van het uitkeringsadres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar op 7 juli 2011 afgelegde verklaring genuanceerd dient te worden. B heeft niet de gehele in geding zijnde periode bij appellante verbleven, maar slechts gedurende twee korte periodes.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft bij het besluit van 31 augustus 2011 de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. In aanmerking genomen dat het college bij het besluit van 7 september 2011 de bijstand over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 juli 2011 heeft ingetrokken, dient hier beoordeeld te worden de periode van 1 januari 2011 tot en met

31 augustus 2011.

4.2.

Vaststaat dat appellante en B gedurende de hier te beoordelen periode gehuwd waren. Derhalve heeft het college door toetsing aan het criterium gezamenlijke huishouding een onjuiste maatstaf aangelegd. Het college had moeten beoordelen of appellante die periode duurzaam gescheiden leefde van B en om die reden als ongehuwd in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef, en onder b, van de WWB diende te worden aangemerkt. Dat betekent dat het bestreden besluit op een onjuiste wettelijke grondslag berust en op die grond voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Hierna zal de vraag worden beantwoord of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

4.3.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 30 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6538) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

4.4.

De onderzoeksbevindingen van de ABO bieden een toereikende grondslag voor het oordeel dat in de te beoordelen periode niet kan worden gesproken van duurzaam gescheiden levende echtgenoten in voormelde zin. Daarbij komt zwaarwegende betekenis toe aan de verklaring die appellante op 7 juli 2011 tegenover de ABO heeft afgelegd. Deze verklaring, die is vastgelegd in een door appellante per pagina ondertekende ‘Rapportageformulier confrontatie’, luidt, voor zover van belang als volgt:

“We [- de ABO-medewerkers -] brengen [appellante] op de hoogte van het feit dat wij zien dat haar man iedere nacht bij haar is. A: Ja ik ben dan misschien niet zo duidelijk geweest, hij is er vaak vanaf januari iedere dag, het is dat er een band is vanwege de kinderen. (...) Wij [- de ABO-medewerkers -] brengen [appellante] op de hoogte van het feit dat haar man nu wel zijn hoofdverblijf heeft bij haar. Ja, dat ontken ik ook niet, hij is gewoon bij mij, maar toch wel voor de kinderen en om mij te steunen. En dat komt dan omdat mijn vader zo slecht ligt, sinds januari is mijn vader met zijn gezondheid aan het tobben en sinds die tijd is hij bij mij. (...)”

4.5.

Deze verklaring kan niet anders worden gelezen dan dat B vanaf januari 2011 bij appellante verbleef. Dat de verklaring van appellante zo zou moeten worden opgevat dat B slechts gedurende twee korte periodes bij appellante heeft verbleven, valt niet af te leiden uit deze verklaring, noch uit de door appellante in bezwaar ingebrachte schriftelijke verklaringen van B en van omwonenden van het uitkeringsadres. B heeft verklaard dat hij vanaf

januari 2011 regelmatig op het uitkeringsadres kwam om op zijn kinderen te passen in verband met de gezondheidsproblemen van de vader van appellante. Daarbij heeft B niet kenbaar gemaakt dat het, zoals appellante heeft betoogd, om twee korte periodes ging, te weten in januari 2011 en in juni/juli 2011. De omwonenden van wie appellante schriftelijke verklaringen heeft ingebracht, hebben evenmin kenbaar gemaakt dat zij B gedurende twee korte periodes vaker zagen dan anders.

4.6.

Gelet op 4.4 en 4.5 kan in de hier te beoordelen periode niet worden gesproken van duurzaam gescheiden leven. Het enkele feit dat appellante en B ieder een eigen woning hadden, doet niet af aan deze conclusie. Dit betekent dat appellante en B die periode als een gezin als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder c, van de WWB moesten worden beschouwd en dat appellante niet als een zelfstandig subject van bijstand recht had op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Nu appellante daarvan geen melding heeft gemaakt en aldus de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, was het college bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2011 in te trekken. Appellante heeft de uitoefening van de bevoegdheid tot intrekking door het college niet bestreden.

4.7.

Hieruit volgt dat het college tevens bevoegd was om de over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 juli 2011 gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen. Wat betreft de hoogte van het teruggevorderde bedrag heeft appellante, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 15 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6412, aangevoerd dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of appellante recht had op bijstand naar de norm voor gehuwden. In die uitspraak heeft de Raad echter overwogen dat in de situatie waarin de inlichtingenverplichting is geschonden het bestuursorgaan in beginsel gerechtigd is de over de betrokken periode gemaakte kosten van bijstand volledig terug te vorderen. Het is dan vervolgens aan de betrokkene om feiten te stellen en, zo nodig, te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat ook als de verplichting tot het geven van inlichtingen wél naar behoren zou zijn nagekomen, volledige, althans aanvullende bijstand naar de norm voor gehuwden over die periode zou zijn verstrekt. Anders dan appellante stelt, is het dus aan haar om dergelijke informatie te verstrekken. Appellante heeft echter geen gegevens verstrekt over het inkomen en vermogen van B. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

4.8.

Uit 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Uit 4.4 tot en met 4.8 volgt dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 944,- in beroep en op € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 5 december 2011 gegrond en vernietigt dit besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 5 december 2011 in stand blijven;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.888,-;

- bepaalt dat het college het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van O.P.L Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2013.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) O.P.L. Hovens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

HD