Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2281

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2013
Datum publicatie
05-11-2013
Zaaknummer
13-249 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering, omdat betrokkene niet toegenomen arbeidsongeschikt was. Terecht en met afdoende onderbouwing heeft de bezwaarverzekeringsarts zich op het standpunt gesteld dat zowel de klachten van betrokkene als de algemene beschrijving van zijn dagvulling, het algemeen voorkomen van betrokkene, de bevindingen alsmede de aard en ernst van de diagnose in 2010 en 1998 niet wezenlijk verschillen van die zoals vastgesteld in 1995 terwijl het medicijngebruik door de jaren heen hiervoor ook geen aanleiding geeft. Terecht is dan ook geconcludeerd dat geen sprake is van toename van de beperkingen sinds 1998 en derhalve evenmin sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 43a van de WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/249 WAO

Datum uitspraak: 1 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 december 2012, 12/795 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats], Marokko (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2013. Appellant was vertegenwoordigd door A. Anandbahadoer. Namens betrokkene is verschenen

mr. De Roy van Zuydewijn.

OVERWEGINGEN

1.1. Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, in dit geval het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging.

1.2. Aan betrokkene was sinds 1991 een volledige WAO-uitkering toegekend. In 1992 is betrokkene vertrokken naar Marokko. Bij besluit van 11 juli 1995 heeft appellant de

WAO-uitkering van betrokkene ingetrokken met ingang van 6 maart 1995. Dit besluit staat in rechte vast.

1.3. Betrokkene heeft bij brief van 9 november 1998 opnieuw een WAO-uitkering aangevraagd, met als bijlagen brieven van dr. Ben El Mamoun Taoufik, gedateerd

29 juni 1998. Bij besluit van 16 februari 1999 is de brief van betrokkene opgevat als verzoek om terug te komen van het besluit van 11 juli 1995, welk verzoek vervolgens is afgewezen. Tegen dit besluit heeft betrokkene rechtsmiddelen aangewend, resulterend in een uitspraak van de rechtbank van 1 maart 2001 waarbij de rechtbank appellant onder meer de opdracht heeft gegeven om de brief van 9 november 1998 tevens op te vatten als een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in het kader van artikel 43a van de WAO. Bij besluit van 3 september 2001 heeft appellant dit verzoek van betrokkene in het kader van artikel 43a van de WAO afgewezen, omdat betrokkene niet toegenomen arbeidsongeschikt was. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar van betrokkene is ongegrond verklaard, evenals het vervolgens door betrokkene ingestelde beroep bij de rechtbank. Bij uitspraak van 27 oktober 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2408) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens heeft de Raad appellant veroordeeld tot betaling van € 1.000,- aan immateriële schadevergoeding aan betrokkene in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

1.4. Vervolgens heeft appellant de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) in Marokko verzocht om een medisch onderzoek te verrichten bij betrokkene en expertises te laten verrichten door een psychiater en een internist. Uiteindelijk is in november 2010 gerapporteerd door de CNSS. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens op basis van de ontvangen medische informatie van de CNSS bij rapport van 11 april 2011 de medische beoordeling heroverwogen. Bij besluit van 9 januari 2012 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 3 september 2001 wederom ongegrond verklaard. Hierbij is tevens meegedeeld dat een bedrag van € 5.500,- wordt vergoed aan betrokkene wegens overschrijding van de redelijke termijn vanaf de datum van de uitspraak van de Raad van 27 oktober 2006.

1.5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd omdat zij de medische beoordeling onvoldoende gemotiveerd achtte. Zij heeft appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank, inhoudende dat het op de weg van de bezwaarverzekeringsarts had gelegen om aan de CNSS te verzoeken om een nadere onderbouwing van het standpunt van psychiater dr. Amraoui dat de medische situatie van betrokkene sinds 1998 is verslechterd.

2.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit heeft vernietigd vanwege onvoldoende motivering van het standpunt dat de medische situatie van betrokkene in 1998 vergeleken met zijn situatie in 1995 niet is verslechterd. Door de bezwaarverzekeringsarts is met een inzichtelijke en overtuigende onderbouwing aangegeven, op basis van voldoende medische gegevens, dat geen sprake is van toegenomen beperkingen. Gewezen is op de vaste rechtspraak van de Raad dat een verzekeringsarts op zijn eigen oordeel mag varen als het gaat om het vaststellen van de beperkingen (ECLI:NL:CRVB:2003:AO0093). Ter onderbouwing is het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 7 januari 2013 ingediend.

3.1.

De Raad overweegt het volgende.

3.2.

De bezwaarverzekeringsarts heeft bij rapport van 11 april 2011 de informatie in het dossier die ziet op de medische situatie van betrokkene in 1995, waaronder de door psychiater Korzec in oktober 1994 in Nederland verrichte expertise en de informatie van de behandelende arts dr. A. Ben Bassir van 20 februari 1995, vergeleken met de medische informatie die ziet op zijn medische situatie in 1998, waaronder de brief van de arts

dr. Ben El Mamoun Tafouik van 29 juni 1998 en de uit november 2010 daterende informatie van de CNSS-arts A. Tahri, psychiater dr. D. El Amraoui en maag-darm-leverarts

dr. L. Kabbaj. De bezwaarverzekeringsarts heeft vermeld dat in 1995 de diagnose is gesteld van anxio-depressief syndroom, atypisch, met mentale agitatie terwijl in 1998 is gesproken van een anxio-depressieve toestand met hoofdpijn, duizeligheid, slecht slapen en maagpijn. Uit de informatie van El Amraoui blijkt dat hij in november 2010 als diagnose heeft gesteld licht anxio-depressief syndroom en somatische problemen. De klachten zijn hoofdpijn, maagpijn, duizeligheid en prikkelbaarheid, betrokkene kan geen geluid verdragen en heeft de neiging zich te isoleren. El Amraoui heeft opgemerkt dat het psychiatrisch beeld identiek is aan dat in 1995 met verergering van de symptomen sinds 1998. Hij stelt vervolgens vast dat de beperkingen van betrokkene op intellectueel, sociaal, fysiek en psychisch vlak liggen en dat betrokkene volledig afhankelijk is van zijn familie en ook altijd hulp heeft gehad.

3.3.

Door de bezwaarverzekeringsarts is genoegzaam gemotiveerd, door middel van vergelijking van de onder 3.2. vermelde medische informatie en door vergelijking van de voorgeschreven medicatie door de jaren heen, dat geen sprake is van toename van de psychische beperkingen ten opzichte van het toestandsbeeld van betrokkene in 1995. Terecht heeft appellant gewezen op de vaste rechtspraak van de Raad dat de (bezwaar)verzekeringsarts bij het vaststellen van de beperkingen op zijn eigen oordeel mag varen. Uit het rapport van Korzec blijkt dat destijds (ook) sprake was van een neurastheen, mild depressief beeld met veel somatische klachten (waaronder maagklachten) en een passief, lijdzaam bestaan. Uit de brief van El Amraoui blijkt van een ongewijzigd psychiatrisch beeld. El Amraoui noemt weliswaar een verergering van de symptomen sinds 1998 maar onderbouwt dit niet. Hij geeft ook aan dat betrokkene altijd hulp heeft gehad en volledig afhankelijk is van zijn familie; dit wijst niet op toegenomen beperkingen. Daarnaast noemt hij gevoeligheid voor geluid en de neiging zich te isoleren, hetgeen ook past in het reeds in 1994, spectievelijk 1995 door Korzec en Ben Bassir geconstateerde beeld en geen aanwijzingen geeft voor een wezenlijke toename van de beperkingen. Terecht en met afdoende onderbouwing heeft de bezwaarverzekeringsarts zich op het standpunt gesteld dat zowel de klachten van betrokkene als de algemene beschrijving van zijn dagvulling, het algemeen voorkomen van betrokkene, de bevindingen alsmede de aard en ernst van de diagnose in 2010 en 1998 niet wezenlijk verschillen van die zoals vastgesteld in 1995 terwijl het medicijngebruik door de jaren heen hiervoor ook geen aanleiding geeft. Terecht is dan ook geconcludeerd dat geen sprake is van toename van de beperkingen sinds 1998 en derhalve evenmin sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 43a van de WAO.

3.4.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep. De medische grondslag van het bestreden besluit is afdoende gemotiveerd. Er is geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts. Ten onrechte heeft de rechtbank het beroep vanwege een motiveringsgebrek gegrond verklaard en het bestreden besluit deswege vernietigd.

3.5.

Betrokkene heeft nog aanvullende schadevergoeding gevorderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Hierbij heeft hij zich uitdrukkelijk beperkt tot de procedure bij de rechtbank ten aanzien van het bestreden besluit tot aan de huidige uitspraak van de Raad. Voor de wijze van beoordeling van het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De Raad stelt vast dat vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift tot aan de datum van deze uitspraak bijna twaalf jaar zijn verstreken, waarmee sprake is van een schending van de redelijke termijn. De Raad heeft reeds bij zijn uitspraak van 27 oktober 2006 appellant veroordeeld tot betaling van € 1.000,- schadevergoeding aan betrokkene wegens overschrijding van de redelijke termijn over de periode vanaf de indiening van het bezwaarschrift van betrokkene tegen het besluit van 16 februari 1999 tot aan de datum van zijn uitspraak. Appellant heeft vervolgens bij het bestreden besluit een bedrag van

€ 5.500,- aan schadevergoeding toegekend aan betrokkene betreffende de periode vanaf

27 oktober 2006 tot aan de datum van het bestreden besluit van 9 januari 2012.

3.6.

Betrokkene heeft nu in hoger beroep nog een bedrag van € 2.000,- gevorderd van appellant ten aanzien van de beroepsprocedure bij de rechtbank tot aan deze uitspraak van de Raad. Na het besluit van 9 januari 2012 zijn bijna één jaar en negen maanden verstreken. Gelet op de behandelingsduur bij de rechtbank en de Raad is de extra overschrijding van de behandelingsduur aan het Uwv toe te rekenen. Nu in beginsel een vergoeding gepast wordt geacht van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij de Raad in aanmerking neemt dat niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, is er aanleiding om aan het verzoek van betrokkene te voldoen en appellant te veroordelen tot vergoeding van € 2.000,-.

3.7.

Gelet op het onder 3.4 overwogene dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Gelet op het overwogene onder 3.5 dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 6 van het EVRM. Gelet op het onder 3.3 en 3.4 overwogene dienen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te blijven.

3.8.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van de bepalingen inzake vergoeding van het griffierecht en proceskostenveroordeling;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

  • -

    veroordeelt appellant tot betaling van schadevergoeding aan betrokkene ten bedrage van

€ 2.000,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) S. Aaliouli

JvC