Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2278

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2013
Datum publicatie
05-11-2013
Zaaknummer
11-3223 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering toeslag. Schending inlichtingenplicht. Reeds uit de door appellante gestelde pogingen het Uwv op de hoogte te stellen van wijzigingen in haar leefsituatie blijkt dat haar duidelijk was dat deze gevolgen konden hebben voor haar toeslag. Het Uwv heeft de toeslag over de genoemde perioden terecht ingetrokken. Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3223 TW, 12/3852 TW

Datum uitspraak: 1 november 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van

20 april 2011, 10/9100 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats], België (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.F.A. Cadot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Cadot. Namens het Uwv is verschenen W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontvangt een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Met ingang van 16 april 2004 ontvangt appellante, in aanvulling op haar WAO-uitkering, een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW). Op basis van de door appellante verstrekte gegevens is het Uwv er daarbij vanuit gegaan dat appellante een alleenstaande moeder was.

1.2. In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende toeslag is op 12 april 2010 een inspectierapport toeslagenwet opgemaakt. Hierin is geconcludeerd dat appellante, sinds [datum] 2003 moeder van een dochter, van

1 september 2004 tot 1 juli 2007 heeft samengewoond met de heer [L.]. [L.] heeft de dochter van appellante erkend. Op 11 februari 2005 is uit de relatie van appellante en [L.] een zoon geboren. Per 1 mei 2007 zijn de kinderen op een ander adres gaan wonen. [L.] ontving in de periode van samenwoning met appellante inkomsten uit loondienst. In de periode van 1 juli 2007 tot medio 2008 was appellante alleenwonend. Vervolgens is appellante medio mei 2008 gaan samenwonen met de heer [V.], met wie ze op

31 oktober 2008 in het huwelijk is getreden. [V.] is eigenaar van een bedrijf. Met ingang van 19 maart 2010 woont appellante samen met de heer [R.V.], die inkomsten uit loondienst heeft.

1.3. Bij besluit van 21 mei 2010 heeft het Uwv de toeslag met ingang van 1 september 2004 ingetrokken, omdat appellante toen is gaan samenwonen en het totale inkomen van appellante en haar partner hoger was dan het minimumloon. Bij besluit van gelijke datum heeft het Uwv de over de periode van 1 september 2004 tot 1 juni 2010 onverschuldigd betaalde toeslag ten bedrage van € 17.665,34 bruto van appellante teruggevorderd.

1.4. In het kader van het door appellante tegen deze besluiten gemaakte bezwaar heeft zij onder meer aangevoerd dat zij het Uwv alle van belang zijnde informatie die voor het vaststellen van de toeslag vereist was heeft doorgeven.

1.5. Bij besluit van 22 november 2010 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat de stelling van appellante dat zij herhaaldelijk melding heeft gedaan van wijzigingen van haar leefvorm en haar inkomenssituatie geen aanleiding is om de besluiten van 21 mei 2010 te heroverwegen. Het Uwv heeft geen brieven terzake in het dossier aangetroffen. Blijkens de bewoordingen van het bestreden besluit heeft het Uwv dit gebaseerd op artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder a, van de TW, waarin is bepaald dat het Uwv overgaat tot intrekking of wijziging van de toeslag indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de in artikel 12 van de TW bedoelde mededelingsverplichting heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank had het appellante redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat aan haar ter onrechte een toeslag op haar WAO-uitkering werd verstrekt. Daarmee is aan het bepaalde in artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder b van de TW voldaan, zodat het Uwv verplicht was de toeslag te herzien dan wel in te trekken. Aangezien de uitkering met terugwerkende kracht is herzien, staat voorts vast dat aan appellante onverschuldigd toeslag ten bedrage van € 17.665,34 is betaald. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien is volgens de rechtbank niet gebleken.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het Uwv onvoldoende heeft onderbouwd waarom zij geen recht heeft op de toeslag over de periode van 1 september 2004 tot

1 juni 2010. De leefomstandigheden van appellante zijn in deze periode immers verschillende keren gewijzigd. Volgens appellante heeft zij ten minste recht op toeslag over de perioden van

31 maart 2007 tot 1 mei 2007, toen [L.] haar had verlaten en per 1 mei 2007 tot medio 2008, waarin ze weer alleenstaand was. Appellante heeft altijd alle wijzigingen doorgegeven. Zij heeft daartoe gewezen op een aantal door haar overgelegde, aan het Uwv gerichte, brieven. Voorts is tijdens diverse spreekuren bij de verzekeringsarts haar leefsituatie ter sprake gekomen. In het geval appellante de toeslag ten onrechte mocht hebben ontvangen staan dringende redenen in de weg aan terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag. Appellante heeft niet opzettelijk informatie voor het Uwv achtergehouden en wijst voorts op een ‘klikbrief’ uit 2007, waarop het Uwv geen actie heeft ondernomen, zodat het teruggevorderde bedrag nu onevenredig hoog uitvalt.

3.2.

Bij brief van 9 juli 2012 heeft het Uwv de Raad bericht in het hoger beroepschrift aanleiding te hebben gevonden voor het oordeel dat het recht op toeslag van appellante over de periode van 31 maart 2007 tot 1 mei 2007 en de periode van 1 januari 2008 tot 1 juli 2008 is blijven bestaan en dat het teruggevorderde bedrag dienovereenkomstig zal worden aangepast.

3.3.

Bij besluit van 9 juli 2012 heeft het Uwv het van appellante terug te vorderen bedrag verlaagd tot € 17.341,61 en aan appellante de door haar in bezwaar gemaakte proceskosten ten bedrage van € 874,- vergoed.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit van 9 juli 2012 (bestreden besluit 2) wordt, gelet op de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

4.2.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv buiten twijfel gesteld dat de bestreden besluiten, anders dan de bewoordingen van bestreden besluit 1 doen vermoeden, voor wat de intrekking van de toeslag betreft zijn gebaseerd op artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder b, van de TW, waarin is bepaald dat het Uwv de toeslag intrekt of herziet indien deze om een andere reden dan schending van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder a, van de TW ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

4.3.

Mede gelet op bestreden besluit 2 staat daarmee in dit geding centraal de vraag of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante over de perioden 1 april 2004 tot 31 maart 2007, 1 mei 2007 tot 1 januari 2008 en 1 juli 2008 tot 1 juni 2010 geen recht had op toeslag en of het Uwv om die reden de toeslag over die perioden terecht heeft ingetrokken en de aldus onverschuldigd betaalde toeslag terecht van appellante heeft teruggevorderd.

4.4.

Appellante heeft in bezwaar en beroep niet bestreden dat zij in de genoemde perioden een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en dat het totale inkomen van appellante en haar partners over deze perioden meer bedroeg dan het minimumloon. Daarmee staat vast dat zij over deze perioden geen recht had op toeslag als bedoeld in artikel 2 van de TW.

4.5.

Artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder b, van de TW, in samenhang met het tweede lid van dit artikel, brengt vervolgens mee dat het Uwv verplicht is de toeslag over de genoemde perioden in te trekken, tenzij er sprake is van dringende redenen, in welk geval het Uwv geheel of gedeeltelijk van de intrekking kan afzien.

4.6.

In artikel 3 van zijn Beleidregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006, zoals deze golden ten tijde in geding, wordt, indien het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, de uitkering ingetrokken of herzien met terugwerkende kracht tot en met de dag waarop het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. Deze beleidsregels dienen als buitenwettelijk begunstigend beleid te worden aangemerkt.

4.7.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat reeds uit de door appellante gestelde pogingen het Uwv op de hoogte te stellen van wijzigingen in haar leefsituatie blijkt dat haar duidelijk was dat deze gevolgen konden hebben voor haar toeslag. De Raad is dan ook van oordeel dat het Uwv de toeslag over de genoemde perioden terecht heeft ingetrokken.

4.8.

Op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW wordt - voor zover hier van belang - de toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a van de TW onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd. Ingevolge artikel 20, vierde lid, van de TW kan het Uwv, indien daarvoor dringende redenen zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Op grond van vaste jurisprudentie van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 20 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9290) kunnen dringende redenen slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de sociale en/of financiële gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft.

4.9.

De Raad is van dergelijke gevolgen voor appellante niet gebleken. Dat het Uwv te traag op aanwijzingen dat appellante een gezamenlijke huishouding zou voeren zou hebben gereageerd kan, nog daargelaten dat het Uwv deze stelling heeft bestreden, op zichzelf geen dringende reden opleveren, omdat deze omstandigheid niet behoort tot de gevolgen die de terugvordering voor appellante heeft (zie CRvB 1 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT1551). Ook overigens heeft appellante geen gegevens ingebracht op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de terugvordering voor haar onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen heeft. Het Uwv heeft de onverschuldigd betaalde toeslag dan ook terecht van appellante teruggevorderd.

4.10.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.9 is overwogen dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, wordt het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, voor zover hierbij de toeslag over de perioden van 31 maart 2007 tot 1 mei 2007 en van 1 januari 2008 tot 1 juli 2008 is ingetrokken en de over deze perioden betaalde toeslag van appellante is teruggevorderd. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 van 9 juli 2012 wordt ongegrond verklaard.

4.11.

Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 944,- in beroep en € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 22 november 2010 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover dit betrekking heeft op de in 4.10 aangeduide perioden;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 153,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten in beroep tot een bedrag van € 944,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 944,- in hoger beroep;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 9 juli 2012 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) S. Aaliouli

IvR