Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2271

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2013
Datum publicatie
04-11-2013
Zaaknummer
12-557 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging onvoorwaardelijk strafontslag met onmiddellijke ingang. Plichtsverzuim. Op grond van de beschikbare administratieve gegevens, de door appellant en diverse getuigen afgelegde verklaringen en de bevindingen van Bureau Hoffmann, concludeert de Raad dat appellant de hem verweten gedragingen heeft begaan. De straf van onvoorwaardelijk ontslag is niet onevenredig aan de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2013/382 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/557 AW

Datum uitspraak: 31 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

14 december 2011, 11/3849 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van het stadsdeel [naam stadsdeel] van de gemeente Amsterdam (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. E.A.A. Charry, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2013.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. L.R. Hostmann, advocaat. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zwagerman, R. Boekhout en D. Heijt.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant was vanaf 1992 werkzaam bij de gemeente Amsterdam, laatstelijk als chauffeur/laadkraanmachinist bij de afdeling [naam afdeling] van stadsdeel [naam stadsdeel].

1.2.

Op 31 augustus 2010 heeft appellant, in strijd met een gegeven dienstopdracht, bouw- en sloopafval weggehaald bij de [adres] in[naam gemeente]. Dit afval moest blijven liggen in afwachting van de komst van de afdeling Handhaving. Appellant heeft dit afval, in strijd met de werkinstructie, weggehaald zonder opdracht, factuurbon of pinbetaling. Bij een gesprek over dit voorval met zijn leidinggevenden op 3 september 2010, heeft appellant alsnog een factuurbon overhandigd. Dit bleek een bon te zijn uit een niet meer in gebruik zijnd bonnenboekje van 2008. Appellant heeft verklaard dat hij in de periode voor

31 augustus 2010 vaker op dit adres grofvuil heeft verwijderd en daarvan bonnen heeft ingeleverd. Voor het feit dat van het bedrijf op dit adres, [naam vastgoed](hierna: Vastgoed), voor het laatst op 21 april 2010 een opdracht bij het meldpunt voor het ophalen van grofvuil was binnengekomen en dat er vanaf dat moment geen bonnen zijn, kon appellant geen verklaring geven. In afwachting van nader onderzoek heeft het dagelijks bestuur hem met ingang van 3 september 2010 een verbod van toegang tot de werkplek opgelegd. Uit het GPS systeem van de dienstauto die appellant gebruikte bleek niet alleen dat appellant in de periode van 21 april 2010 tot en met 31 augustus 2010 regelmatig in de [adres] was, maar ook dat hij zeer regelmatig op plekken is geweest die niet tot zijn wijk behoren. Daarop heeft het dagelijks bestuur appellant alsnog met ingang van 3 september 2010 geschorst.

1.3.

Op grond van de bevindingen van het nader onderzoek, dat onder meer is ingesteld door Bureau Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. en neergelegd in een rapportage van 5 januari 2011, heeft het dagelijks bestuur appellant, na het voornemen daartoe, bij besluit van 17 maart 2011 met onmiddellijke ingang onvoorwaardelijk strafontslag verleend als bedoeld in artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder f, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA). Bij besluit van 5 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 17 maart 2011 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim doordat hij:

  • -

    op 31 augustus 2011, in strijd met een dienstopdracht van een leidinggevende en met de werkinstructie om bij het weghalen van het afval direct een bon uit te schrijven, afval heeft weggehaald van Vastgoed aan de [adres];

  • -

    in de periode van 22 april 2010 tot 1 september 2010 met enige regelmaat op dit adres grofvuil heeft weggehaald zonder dat daar opdrachten en betalingen tegenover stonden;

  • -

    onbevoegd gebruik heeft gemaakt van de dienstauto buiten het werkgebied tijdens diensttijd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 11.1 van de NRGA is vastgelegd dat de ambtenaar de hem gegeven voorschriften opvolgt en in het algemeen alles behoort te doen of na te laten wat van een goed ambtenaar mag worden verwacht. In artikel 13.4 van de NRGA is bepaald dat de ambtenaar kan worden gestraft als hij zich niet gedraagt overeenkomstig artikel 11.1 en zich daarmee schuldig maakt aan plichtsverzuim.

4.2.

Op grond van de beschikbare administratieve gegevens, de door appellant en diverse getuigen afgelegde verklaringen en de bevindingen van Bureau Hoffmann, concludeert de Raad dat appellant de hem verweten gedragingen heeft begaan.

4.2.1.

Appellant heeft erkend dat hij op 31 augustus 2010, in strijd met de gegeven dienstopdracht om het vuil te laten liggen en tevens met de werkinstructie om direct een bon te laten aftekenen, het afval van Vastgoed heeft opgehaald. Hij betreurt dit en wijt het aan een misverstand. Ter zitting van de Raad heeft appellant verklaard dat hij de bon op de dag van het gesprek met zijn leidinggevenden, 3 september 2010, alsnog door Vastgoed heeft laten ondertekenen en dat het een bon uit 2008 was. Hij heeft hiervoor echter geen sluitende verklaring gegeven. Het is aannemelijk dat appellant deze oude bon heeft gebruikt omdat het dagelijks bestuur alle reguliere bonnenboekjes uit de dienstauto’s had laten halen, om zo te voorkomen dat achteraf een bon zou worden uitgeschreven.

4.2.2.

Voor de periode van 22 april 2010 tot 1 september 2010 is het, anders dan appellant heeft gesteld, aannemelijk dat hij regelmatig bouw- en sloopafval van Vastgoed op de [adres] heeft weggehaald zonder opdracht van dit bedrijf aan het stadsdeel en zonder dat daar betalingen aan het stadsdeel tegenover stonden. Een collega van appellant heeft hierover verklaard en appellant heeft erkend daar in die periode afval te hebben opgehaald. De bonnen die appellant daarvan zegt te hebben opgemaakt ontbreken echter, zowel bij het stadsdeel als bij [naam vastgoed]. Direct voor en onmiddellijk na deze periode is op de [adres] regelmatig afval opgehaald volgens de gebruikelijk procedure: na een officiële melding bij het stadsdeel en voorzien van een door Vastgoed ondertekende bon.

4.2.3.

Appellant heeft ook erkend dat hij in de periode van 21 april 2010 tot 1 september 2010 een aantal keren zonder toestemming van zijn leidinggevende met de dienstauto buiten het werkgebied en zelfs buiten Amsterdam heeft gereden. Uit een eerdere waarschuwing naar aanleiding van een voorval op 4 oktober 2009, was het hem bekend dat herhaling van dergelijk gedrag tot disciplinaire maatregelen zou kunnen leiden.

4.3.

Elk van de hierboven besproken verweten gedragingen levert plichtsverzuim op, zodat het dagelijks bestuur bevoegd was om appellant een disciplinaire straf op te leggen.

4.3.1.

De straf van onvoorwaardelijk ontslag is niet onevenredig aan de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Het dagelijks bestuur mag grote waarde hechten aan het nauwkeurig naleven van de voorschriften over het inzamelen van afval en moet er zonder meer op kunnen vertrouwen dat de medewerkers van de afdeling [naam afdeling] deze regels naleven. Verder is van belang dat het stadsdeel door het handelen van appellant financieel is benadeeld en dat het appellant mede door de eerder gegeven waarschuwing bekend was dat grote waarde wordt gehecht aan integriteit.

4.3.2.

Het langdurig dienstverband van appellant en de persoonlijke gevolgen van het gegeven ontslag doen niet af aan de conclusie dat hij heeft gehandeld in strijd met de eisen van integriteit en daardoor het in hem te stellen vertrouwen van het stadsdeel onherstelbaar heeft geschonden.

4.4.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en J.N.A. Bootsma en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2013.

(getekend) R. Kooper

(getekend) B. Rikhof

HD