Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2260

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
21-01-2014
Zaaknummer
12-1530 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:365, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. De rechtbank heeft uitvoerig overwogen dat het bestreden besluit op een deugdelijke grondslag berust en zorgvuldig tot stand is gekomen. In hoger beroep heeft appellant in essentie zijn eerdere bezwaren tegen het bestreden besluit herhaald. Het Uwv heeft daarop nogmaals inzichtelijk en overtuigend in het verweerschrift het bestreden besluit toegelicht. De Raad kan zich ook daarmee verenigen en ziet in alle voorhanden gegevens, evenmin als de rechtbank en het Uwv, aanleiding om de medische situatie van appellant nader te laten onderzoeken door een onafhankelijk deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1530 WIA

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

2 februari 2012, 11/2514 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W.M. Lenting, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lenting. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zich vanuit zijn werk als grondkabellegger met ingang van

19 januari 2009 arbeidsongeschikt gemeld vanwege lichamelijke en psychische klachten. Op 1 februari 2011 heeft hij een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 7 maart 2011 vastgesteld dat appellant met ingang van 17 januari 2011 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Bij besluit van 1 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 maart 2011 na beoordeling door een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, waarbij recente MRI- en EMG-onderzoeken zijn betrokken evenals informatie van de behandelend psycholoog van appellant, als zorgvuldig aangemerkt en heeft, samenvattend, geoordeeld dat er geen reden is appellant vanwege zijn rug- en psychische klachten meer beperkt te achten dan is vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

15 februari 2011. Het verzoek om een onafhankelijk deskundige in te schakelen is door de rechtbank afgewezen. Uitgaande van de FML heeft de rechtbank eveneens geen aanleiding gezien de aan appellant voorgehouden functies niet voor hem geschikt te achten. Het standpunt van appellant dat hij onvoldoende kan communiceren in de Nederlandse taal en daarom de functie van inpakker koekjes niet geduid kan worden, heeft de rechtbank met verwijzing naar het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 24 mei 2011 niet onderschreven. Gelet op het met de voorgehouden functies geleden verlies aan verdienvermogen heeft de rechtbank geoordeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid door het Uwv terecht op minder dan 35% is bepaald.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant met verwijzing naar de brief van zijn destijds behandelend psycholoog van 25 mei 2011 met name aangevoerd dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat en dat dit verschil van inzicht ertoe leidt dat het inschakelen van een onafhankelijk deskundige is aangewezen. Voorts is hij van mening dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn onvermogen zich te concentreren en dat zijn psychische klachten met zich brengen dat hij geen 40 uur per week en niet langdurig tussen anderen kan werken, zodat hij de geduide functies niet kan verrichten.

3.2.

Het Uwv heeft in het verweerschrift naar aanleiding van het hoger beroepschrift erop gewezen dat de MRI- en EMG-onderzoeken geen afwijkingen aan de rug te zien gaven en dat met betrekking tot de psychische klachten geen nieuwe medische gegevens zijn ingebracht. Daarbij heeft het Uwv erop gewezen dat uit de aanwezige informatie kan worden afgeleid dat de gehanteerde behandelmethode mogelijk niet de meest geëigende was dan wel dat de klachten hardnekkiger zijn dan was aangenomen, maar dat daaruit niet kan worden afgeleid dat de klachten en daarmee samenhangende medische beperkingen onjuist zijn beoordeeld. Het Uwv ziet geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige. Het Uwv heeft er voorts op gewezen dat de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van

24 mei 2011 reeds gemotiveerd heeft overwogen dat er ten aanzien van de gestelde concentratieproblemen geen aanleiding was de FML aan te scherpen in de rubrieken 1 en 2 of een urenbeperking aan te nemen. Met betrekking tot de geschiktheid van de geduide functies heeft het Uwv gewezen op artikel 9 van het Schattingsbesluit en de door de bezwaararbeidsdeskundige in het rapport van 24 mei 2011 toegelichte aspecten over de Nederlandse taal. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. De rechtbank heeft uitvoerig overwogen dat het bestreden besluit op een deugdelijke grondslag berust en zorgvuldig tot stand is gekomen. In hoger beroep heeft appellant in essentie zijn eerdere bezwaren tegen het bestreden besluit herhaald. Het Uwv heeft daarop nogmaals inzichtelijk en overtuigend in het verweerschrift het bestreden besluit toegelicht. De Raad kan zich ook daarmee verenigen en ziet in alle voorhanden gegevens, evenmin als de rechtbank en het Uwv, aanleiding om de medische situatie van appellant nader te laten onderzoeken door een onafhankelijk deskundige. Het ter zitting van de Raad door appellant gedane verzoek om aanhouding met het doel nog nieuwe informatie in geding te brengen van zijn nieuwe psychiater wordt afgewezen, aangezien appellant pas eind september 2013 voor een eerste consult de betreffende psychiater bezoekt, terwijl het onderhavige geding betrekking heeft op de datum 17 januari 2011.

4.2.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor het toekennen van een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en A.I. van der Kris en

K Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) J.C. Hoogendoorn

QH