Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2256

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
21-01-2014
Zaaknummer
11-2475 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Medisch onderzoek; Er zijn geen aanknopingspunten dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft appellant geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2475 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 maart 2011, 10/3086 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.A. de Kock, advocaat, hoger beroep ingesteld

Het Uwv heeft een verweerschrift en een reactie van een bezwaarverzekeringsarts ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Kock. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A Put.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zijn werkzaamheden als medewerker technische dienst op 5 juli 2007 gestaakt in verband met rugklachten. Hij heeft nadien ook psychische klachten gekregen.

1.2. Bij besluit van 1 maart 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 3 juli 2009 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.3. Bij besluit van 16 augustus 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 maart 2010 ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn betoog dat het Uwv te kort is geschoten in zijn onderzoeksplicht en dat sprake is van schending van de motiveringsplicht. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts met het medisch onderzoek - waartoe behoorde het doen uitvoeren van een expertise door een neuroloog en een psychiater - een toereikend beeld hebben gevormd van de beperkingen van appellant. De rechtbank heeft in hetgeen van de zijde van appellant, onder verwijzing naar in beroep in geding gebrachte informatie van arts-assistent neurologie K. Boshuizen en neuroloog dr. C.J.M. Frijns en psycholoog K. Saeed, is gesteld geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant. De rechtbank volgt het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in een rapport van 18 januari 2011, dat voor de tremor van appellant en voor zijn rugklachten geen objectiveerbare afwijkingen zijn gevonden door de neuroloog en dat het voorts niet waarschijnlijk is dat er op de datum in geding sprake was van een depressieve stoornis en een somatoforme stoornis.

2.2. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

3.

Appellant heeft in hoger beroep staande gehouden dat zijn beperkingen zijn onderschat. Hij voert daartoe aan dat het Uwv zich bij de beoordeling van zijn belastbaarheid te veel heeft laten leiden door het rapport van psychiater Leta met de daarin opgenomen diagnose simulatie. Hierdoor zijn de psychische beperkingen van appellant te licht vastgesteld en heeft het Uwv geen verdergaand onderzoek verricht naar zijn tremoren en de invloed van een somatoforme stoornis op zijn belastbaarheid. Appellant benadrukt dat het rapport van Leta gebaseerd is op een eenmalig en moeilijk verlopen consult en dat zijn behandelaars deze diagnose niet hebben vastgesteld.

4.

De Raad komt tot een volgende beoordeling.

4.1.

Het oordeel waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen, wordt onderschreven. Er zijn geen aanknopingspunten dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft appellant zelf onderzocht en heeft ten behoeve van de vaststelling van de belastbaarheid van appellant en ter verduidelijking van het medisch beeld, dat gekenmerkt wordt door tremoren, neuroloog E. Oosterhoff en psychiater R.L. Leta geraadpleegd voor een expertise. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts eveneens een medisch onderzoek verricht bij appellant en de voorhanden zijnde medische informatie beoordeeld, waaronder een brief van psychiater dr. A.W. Braam van 23 februari 2010. De verzekeringsartsen hebben appellant in verband met tendomyogene rugklachten verminderd belastbaar geacht voor zeer zwaar fysiek werk. De verzekeringsartsen hebben, gegeven het ontbreken van een bekend medisch beeld ter verklaring van de tremoren, in navolging van Leta vastgesteld dat sprake is van simulatie. Appellant kan niet gevolgd worden in zijn betoog dat aan het rapport van Leta minder gewicht dient te worden toegekend dan aan de inzichten van zijn behandelaars omdat het rapport van Leta gebaseerd is op een eenmalig, moeilijk verlopen, consult. Leta maakt in zijn rapport weliswaar melding dat medewerking van appellant aan het onderzoek onvolledig was, maar heeft daarin een mogelijke aanwijzing gevonden voor simulatie. Uit het rapport van Leta blijkt voorts dat deze aanwijzing niet op zichzelf stond. In zijn rapport van 29 juni 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts voorts meegewogen dat psychiater Braam in zijn rapport heeft gesteld dat bij appellant een indruk ontstaat van aggravatie. De bezwaarverzekeringsarts heeft met het rapport van 8 juni 2011 verder inzichtelijk toegelicht dat uitgaande van de diagnoses aanpassingstoornis en ongedifferentieerde somatoforme stoornis de mogelijkheden van appellant zoals opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst niet onaannemelijk zijn.

4.2.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft appellant geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Er bestaat geen aanleiding de rechtbank niet te volgen in haar oordeel.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) J.R. Baas

CVG