Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2223

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2013
Datum publicatie
31-10-2013
Zaaknummer
12-443 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het standpunt dat appellante niet woonachtig was op het opgegeven adres. Het water- en energieverbruik op het uitkeringsadres van appellante maakt het niet aannemelijk dat zij in de betreffende woning haar hoofdverblijf had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/443 WWB

Datum uitspraak: 29 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

7 december 2011, 11/1107 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2013. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Ikiz, kantoorgenoot van mr. Nadaud. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door M.T.P.P. Gijsens.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 9 september 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Zij heeft aan het dagelijks bestuur opgegeven woonachtig te zijn op het adres [Adres A.] te [woonplaats].

1.2.

Bij besluit van 15 april 2009 is de bijstand van appellante ingetrokken over de periode van 1 oktober 2008 tot en met 15 maart 2009 en zijn de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd. Hierna is de bijstand weer voortgezet. Bij besluit van 11 oktober 2010 is de bijstand vervolgens met ingang van 16 augustus 2010 ingetrokken. Beide besluiten staan in rechte vast. Aan beide besluiten ligt, voor zover van belang, ten grondslag dat appellante niet feitelijk heeft verbleven op het door haar opgegeven adres aan de [Adres A.] te [woonplaats]en dat zij, doordat zij hiervan geen melding heeft gemaakt, de inlichtingenverplichting heeft geschonden.

1.3.

Vervolgens heeft de sociale recherche Pentasz Mergelland aanvullend onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand in de tussenliggende periode van 16 maart 2009 tot en met 15 augustus 2010. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, is appellante diverse keren opgeroepen om nadere inlichtingen te verstrekken maar is zij niet verschenen, is diverse keren getracht een huisbezoek af te leggen maar was appellante niet aanwezig op het door haar opgegeven adres en zijn gegevens over het energie- en waterverbruik opgevraagd. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 18 februari 2011. Op 21 februari 2011 zijn aanvullende gegevens verkregen omtrent het waterverbruik van appellante.

1.5.

De resultaten van dit onderzoek zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 3 maart 2011, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 23 mei 2011 (bestreden besluit), de bijstand van appellante over de periode van 16 maart 2009 tot en met 15 augustus 2010 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 19.031,94 van haar terug te vorderen. Hieraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellante, vanwege het extreem lage water- en energieverbruik, ook in deze periode niet woonachtig is geweest op het door haar opgegeven adres en dat zij, door hiervan geen melding te maken, de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stelt zich op het standpunt dat de onaangekondigde huisbezoeken in strijd zijn met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 12 van de Grondwet en artikel 1 van de Algemene wet op het binnentreden, zodat de hieruit verkregen resultaten niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen worden gelegd. Daarnaast was het dagelijks bestuur na 16 augustus 2010 niet bevoegd tot het instellen van nader onderzoek zodat de daaruit verkregen gegevens niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen worden gelegd. Volgens appellante heeft zij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij wel heeft gewoond aan de [Adres A.] te [woonplaats].

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat de intrekking van de bijstand betreft ligt de periode van 16 maart 2009 tot en met

15 augustus 2010 ter beoordeling voor.

4.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie te verstrekken over zijn woonadres, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.3.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het dagelijks bestuur zich in het bestreden besluit niet heeft gebaseerd op de resultaten van de niet aangekondigde huisbezoeken zodat de daartegen gerichte beroepsgrond geen doel treft.

4.4.

Ingevolge artikel 53a, tweede lid, van de WWB, zoals dat artikellid luidde ten tijde van belang, is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de door een betrokkene verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Deze bepaling vermeldt verder dat indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft, het college kan besluiten tot herziening van de bijstand. Ingevolge artikel 64, eerste lid, aanhef en onder m, van de WWB, voor zover hier van belang, zijn instanties die in het kader van de openbare nutsvoorzieningen energie en water leveren verplicht desgevraagd aan het college kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet. Voor het opvragen van de hier aan de orde zijnde gegevens bestond dus een wettelijke grondslag. Het feit dat deze gegevens zijn opgevraagd nadat de bijstand met ingang van 16 augustus 2010 is ingetrokken doet hieraan niet af, omdat de gevraagde gegevens betrekking hebben op een periode van bijstandsverlening.

4.5.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het dagelijks bestuur dat appellante in de periode van 16 maart 2009 tot en met 15 augustus 2010 niet woonachtig was op het opgegeven adres.

4.6.

Uit de beschikbare gegevens met betrekking tot het water- en energieverbruik op het uitkeringsadres van appellante blijkt dat appellante in de periode van 10 september 2008 tot en met 15 augustus 2010 helemaal geen gas heeft verbruikt, slechts 3 m³ water en 79 kwh elektriciteit heeft verbruikt. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BK8610), maakt een extreem laag waterverbruik het niet aannemelijk dat een betrokkene in de betreffende woning zijn hoofdverblijf heeft.

4.7.

Appellante heeft de juistheid van de in 4.6 vermelde gegevens niet betwist. De door haar hiervoor gegeven verklaring dat zij vanuit haar cultuur zeer zuinig is met water en energie levert geen toereikende verklaring op voor het extreem lage water- en energieverbruik dat ver ligt onder het gemiddelde van een huishouden als dat van haar. Daarnaast heeft appellante in de hier te beoordelen periode bij herhaling niet gereageerd op oproepen om te verschijnen en is zij bij diverse niet aangekondigde huisbezoeken nimmer thuis aangetroffen. De verklaring van appellante dat haar woning, vanwege de zeer slechte staat waarin deze verkeerde, eigenlijk niet bewoonbaar was en dat zij om die reden vaak bij haar broer in Aken verbleef, bevestigt ook het standpunt van het dagelijks bestuur dat appellante in de periode in geding niet woonachtig was op het door haar opgegeven adres.

4.8.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het dagelijks bestuur bevoegd was de bijstand van appellante over de periode van 16 maart 2009 tot en met 15 augustus 2010 in te trekken. Tegen de wijze waarop het dagelijks bestuur daarvan gebruik heeft gemaakt, zijn geen zelfstandige beroepsgronden gericht. Hetzelfde geldt voor de terugvordering. Deze punten behoeven dan ook geen bespreking.

4.9.

Uit 4.5 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en A.M. Overbeeke en

M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) A.C. Oomkens

HD