Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2221

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2013
Datum publicatie
31-10-2013
Zaaknummer
12-2783 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn woonsituatie, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2783 WWB

Datum uitspraak: 29 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 april 2012, 11/24 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Osmic, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2013. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.C.W. Sterk.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 10 juli 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar norm voor een alleenstaande. Sinds 23 december 2009 staat appellant in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op het adres [Adres A.] te [plaatsnaam 1]. Verhuurder van deze woning is [naam S.] ([S.]). Met ingang van

31 maart 2010 staat op dit adres eveneens de familie [naam familie] ingeschreven.

1.2.

In verband met een melding van [S.] op 25 mei 2010 dat appellant niet langer verblijft op het adres [Adres A.] heeft het college een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. Hiertoe heeft het college appellant bij brief van 26 mei 2010 uitgenodigd voor een gesprek op 31 mei 2010. In deze brief is appellant meegedeeld dat de betaling van de bijstand met ingang van 1 mei 2010 is geblokkeerd. Appellant is, zonder bericht, niet verschenen op de afspraak.

1.3.

Vervolgens heeft het college appellant bij brief van 31 mei 2010 uitgenodigd voor een gesprek op 3 juni 2010, welke afspraak in een telefoongesprek met appellant op 2 juni 2010 is bevestigd. Op 3 juni 2010 heeft appellant telefonisch via het klantcontactcentrum meegedeeld dat hij in Amsterdam verblijft en niet in de gelegenheid is om op de afspraak te verschijnen. Later die dag heeft mr. Osmic telefonisch contact opgenomen met het college en zich als gemachtigde van appellant gesteld. Het college heeft mr. Osmic in dit gesprek op de hoogte gebracht van een nieuwe uitnodiging voor een gesprek op 8 juni 2010. Deze uitnodiging is bij brief van 3 juni 2010 bevestigd. Op 7 juni 2010 heeft appellant zich telefonisch afgemeld voor deze afspraak, omdat hij zou worden bedreigd door [naam C.], medebewoner van het adres [Adres A.]. Op 8 juni 2010 heeft appellant (telefonisch) verklaard dat hij in een caravan op een camping in [plaatsnaam 2] verblijft, maar ingeschreven staat op het adres

[Adres B.] te [woonplaats].

1.4.

Bij besluit van 8 juni 2010 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van

21 mei 2010 ingetrokken. Bij besluit van 1 december 2010 (bestreden besluit) - voor zover hier van belang - heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 juni 2010 ongegrond verklaard. De besluitvorming berust op de grond dat appellant geen informatie heeft gegeven over zijn woonsituatie en daarmee de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonsituatie te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een belastend besluit. Daarbij is het aan het college om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandsverlenend orgaan rust.

4.3.

De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn woonsituatie, zodat het recht op bijstand vanaf 21 mei 2010 niet kan worden vastgesteld. Hierbij komt betekenis toe aan de onder 1.2 genoemde melding van [S.], alsmede aan de op 27 mei 2010 op schrift gestelde verklaring van de medebewoner van het adres [Adres A.] te [plaatsnaam 1], [naam medebewoner H.] ([H.]), dat appellant sinds 18 mei 2010 niet meer op het betreffende adres verblijft. Het huurcontract van de woning is met ingang van 21 mei 2010 (volledig) op naam van [H.] gesteld. Voorts blijkt uit de gedingstukken dat appellant tijdens een gesprek op 26 april 2010 de machtiging voor betaling van de huur van de woning aan de [Adres A.] heeft beëindigd en dat hij zich met ingang van 2 juni 2010 heeft ingeschreven op het adres [Adres B.] te [woonplaats].

4.4.

De stelling van appellant dat hij door het college niet in de gelegenheid is gesteld om de situatie waarin hij destijds verkeerde toe te lichten, kan niet worden gevolgd. Appellant is immers niet verschenen op de afspraken van 31 mei 2010, 3 juni 2010 en 8 juni 2010 om inlichtingen te verstrekken over zijn woonsituatie. Appellant heeft ook nadien geen duidelijkheid verschaft over zijn woonsituatie. Niet gebleken is van een geldige reden om niet op de genoemde afspraken te verschijnen.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 en volgt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand met ingang van 21 mei 2010 niet kan worden vastgesteld.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2013.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) P.J.M. Crombach

HD