Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2212

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
12-584 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:7278, Overig
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking het hoger beroep omdat het Uwv met de nieuwe beslissing op bezwaar geheel aan de bezwaren is tegemoetgekomen. Proceskostenveroordeling. Heropening wegens mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 25 oktober 2013

12/584 WAO, 12/6187 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:73a en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2011, 10/3349 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.R. Beukema, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij tussenuitspraak van 19 april 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8530) heeft de Raad het Uwv opgedragen om het door hem geconstateerde gebrek in het besluit op bezwaar van

29 augustus 2012 te herstellen.

Vervolgens heeft het Uwv bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 18 juni 2013 het bezwaar tegen het besluit van 25 oktober 2004 gegrond verklaard. De WAO-uitkering van appellante wordt met ingang van 21 december 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid

van 80 tot 100%, waarbij als maatman de in het Nederlands register ingeschreven staande octrooigemachtigde geldt. Op basis van het naar de datum in geding, 21 december 2004, geïndexeerde loon van de octrooigemachtigde is de hoogte van de WAO-uitkering vastgesteld op € 88,50 bruto per uitkeringsdag inclusief vakantietoeslag. Voorts is beoordeeld of, en zo ja, in hoeverre, de WAO-uitkering tot uitbetaling komt in verband met de inkomsten uit arbeid van appellante sinds 21 december 2004. De resultaten hiervan zijn per maand vastgesteld. Tevens is bepaald dat over het na te betalen bedrag wettelijke rente zal worden vergoed.

Appellante heeft hierop het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de nabetaling en om immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de de redelijke termijn. Voorts heeft zij verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten.

Het Uwv heeft hierop laten weten zich te refereren aan het oordeel van de Raad.

De Raad heeft de zaak vervolgens voor behandeling verwezen naar een enkelvoudige kamer.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Artikel 8:73a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals dat luidde tot 1 juli 2013, bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 van de Awb kan worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt. Artikel 8:73a van de Awb is in de onderhavig zaak van toepassing.

1.2. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb, zoals dat luidt met ingang van

1 januari 2013, bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.

1.3. Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de nieuwe beslissing op bezwaar van 18 juni 2013 geheel aan haar bezwaren is tegemoetgekomen.

1.4. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

1.5. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

1.6. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in overweging 1.5 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

1.7. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van

24 maart 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH9991), moet in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en

- eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Justitie).

1.8. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellante tegen het besluit van 25 oktober 2004 door het Uwv op

26 november 2004 tot de datum van deze uitspraak zijn bijna negen jaren verstreken.

De Raad heeft vooralsnog noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De Raad stelt vast dat de eerste behandeling in de rechterlijke fase is aangevangen met de ontvangst van het eerste beroepschrift door de rechtbank op 25 april 2005. De rechtbank heeft op 7 december 2006 uitspraak gedaan, waarmee de rechtbank in deze fase de haar toekomende behandelingsduur van anderhalf jaar heeft overschreden. Nu de procedure bij de Raad is aangevangen met de ontvangst van het hoger beroepschrift op 18 januari 2007 en heeft geduurd tot de uitspraak van de Raad op 12 maart 2010 heeft de Raad de hem toekomende behandelingsduur van twee jaar overschreden, waardoor de voor de rechterlijke fase geldende termijn van 3,5 jaar eveneens is overschreden. De hernieuwde behandeling in de rechterlijke fase is aangevangen met de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 20 augustus 2010. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 8 december 2011, waarmee de rechtbank in deze fase de haar toekomende behandelingsduur van anderhalf jaar niet heeft overschreden. Nu de behandeling bij de Raad is aangevangen met de ontvangst van het hoger beroepschrift op 25 januari 2012 en eindigt met deze uitspraak, is de termijn van 2 jaar niet overschreden en heeft dientengevolge de tweede rechterlijke fase minder dan drie en een half jaar geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn niet alleen is geschonden door het Uwv maar ook door zowel de rechtbank als de Raad, namelijk in de eerste rechterlijke fase.

1.9. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb moet worden beslist op het verzoek van appellante om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in zowel de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

2.

De Raad wijst het verzoek van appellante toe om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Bij het besluit van 18 juni 2013 heeft het Uwv reeds meegedeeld dat over het na te betalen bedrag wettelijke rente zal worden vergoed. Voor wat betreft de berekening van het bedrag aan wettelijke rente verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958).

3.

De Raad heeft bij uitspraak van 12 maart 2010 het Uwv reeds in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep veroordeeld en de rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het Uwv eveneens veroordeeld in de proceskosten in verband met de behandeling van het beroep. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het onderhavige hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.416,- (3 punten) voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

4.

Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bepaalt dat het onderzoek onder nummers 13/5586 BESLU,13/5587 BESLU,

13/5588 BESLU en 13/5589 BESLU wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure;

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente als hiervoor aangegeven;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.416,-

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2013.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) P. Boer

TM