Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2210

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
11-1416 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering. Werkgeefster is in hoger beroep gegaan. Geen procesbelang. Niet-ontvankelijk verklaring. De aan appellante als voormalig werkgeefster van belanghebbende opgelegde loonsanctie staat naar inhoud en beoordelingsmoment geheel los van het bestreden besluit tot weigering aan belanghebbende van een WIA-uitkering. Daarnaast geldt dat het loonsanctiebesluit inmiddels met de in overweging uitspraak van de Raad van 11 april 2012 in rechte onaantastbaar is geworden. Nu niet valt in te zien dat een oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak en over het daarbij in stand gelaten bestreden besluit, op enigerlei wijze kan bijdragen tot het door appellante nagestreefde doel en nu ook overigens niet is kunnen blijken van een aan de zijde van appellante bestaand concreet procesbelang, dient het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1416 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

31 januari 2011, 10/741 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante B.V.] te [vestigingsplaats](appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Aan het geding heeft voorts als partij deelgenomen [belanghebbende] te [woonplaats] (belanghebbende)

Datum uitspraak: 16 oktober 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens belanghebbende heeft mr. A. van den Broek, advocaat, een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Namens appellante is geantwoord op een vraagstelling van de Raad.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 6 september 2013, waar partijen met voorafgaande kennisgeving niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Belanghebbende was als loonadministratrice in deeltijd werkzaam in dienst van appellante. Op 2 februari 2007 is zij wegens psychische klachten voor die werkzaamheden uitgevallen.

1.2. Naar het oordeel van het Uwv heeft appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht. Nadat was gebleken dat inspanningen om te komen tot werkhervatting van belanghebbende in eigen of aangepast werk niet tot bevredigend resultaat hadden geleid, had volgens het Uwv bij de eerstejaarsevaluatie in januari 2008 het zogeheten tweede spoor moeten worden ingezet. Omdat dit was nagelaten, heeft het Uwv een loonsanctie toegepast, bestaande uit het opleggen van een verlengde loondoorbetalingsverplichting van 52 weken in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken, eindigend op 1 januari 2010. Het betreffende loonsanctiebesluit van 17 april 2009 is tot en met de Raad - uitspraak van 11 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW1523 - in stand gebleven.

1.3. Bij besluit van 16 december 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat voor belanghebbende met ingang van 1 januari 2010 geen recht is ontstaan op uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), daar zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.4. Bij besluit van 21 mei 2010 heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van

16 december 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het besluit van

21 mei 2010 (bestreden besluit) ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen.

3.

Appellante heeft in hoger beroep haar opvatting staande gehouden dat belanghebbende ten onrechte in staat is geacht werkzaamheden te verrichten. Daarbij wijst appellante in het bijzonder erop dat belanghebbende destijds door de arbodienst arbeidsongeschikt werd geacht en wel zodanig dat zelfs begeleiding in het kader van re-integratie niet mogelijk bleek. Het Uwv heeft volgens appellante deze inschatting van de arbodienst niet kunnen weerleggen.

4.1.

De Raad overweegt als volgt.

4.2.

De Raad stelt voorop dat in zijn vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van

24 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7065) is neergelegd dat het enkele feit dat een werkgeefster als een zogenoemd categoraal belanghebbende heeft te gelden bij besluitvorming van het Uwv over toekenning, herziening of intrekking van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, niet reeds meebrengt dat zij ook moet worden geacht een concreet belang te hebben bij het maken van bezwaar of het instellen beroep dan wel hoger beroep. Daarvoor is ook vereist dat het resultaat dat de indiener van het bezwaarschrift, beroepschrift of hoger beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk bereikt kan worden en aan het realiseren daarvan voor de betreffende werkgeefster feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd. Dit uitgangspunt geldt ook in de loop van de bezwaar-, beroeps- of hoger beroepsprocedure.

4.3.

Desgevraagd heeft appellante in haar brief van 13 maart 2013 te kennen gegeven dat haar procesbelang bij de onderhavige procedure hierin is gelegen, dat zij wil aantonen dat belanghebbende wel degelijk arbeidsongeschikt was en tot niets in staat, zoals zij - volgens appellante- gedurende vele gesprekken met de arbo-arts heeft volgehouden. Als dat komt vast te staan, waren er volgens appellante ook geen gemiste re-integratiemogelijkheden.

4.4.

Gelet op deze uiteenzetting van appellante stelt de Raad vast dat appellante haar procesbelang gelegen ziet in de in overweging 1.2 genoemde loonsanctiekwestie. Appellante gaat er kennelijk van uit dat een oordeel van de Raad over het bestreden besluit relevantie toekomt voor de door haar voorgestane aantasting van het loonsanctiebesluit van

17 april 2009. Dit kan echter niet worden aangemerkt als een met de onderhavige procedure daadwerkelijk te bereiken resultaat en daarmee niet als een voor appellante bij de onderhavige procedure bestaand concreet procesbelang als bedoeld in overweging 4.2. De aan appellante als voormalig werkgeefster van belanghebbende opgelegde loonsanctie staat naar inhoud en beoordelingsmoment geheel los van het bestreden besluit tot weigering aan belanghebbende van een Wet WIA-uitkering. Daarnaast geldt dat het loonsanctiebesluit inmiddels met de in overweging 1.2 genoemde uitspraak van de Raad van 11 april 2012 in rechte onaantastbaar is geworden.

4.6.

Nu niet valt in te zien dat een oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak en over het daarbij in stand gelaten bestreden besluit, op enigerlei wijze kan bijdragen tot het door appellante nagestreefde doel en nu ook overigens niet is kunnen blijken van een aan de zijde van appellante bestaand concreet procesbelang, dient het hoger beroep van appellante

niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) G.J. van Gendt

IvR