Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2209

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
11-619 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de Svb bij besluit van 7 maart 2013 het tijdvak waarop de herziening ziet, beperkt, en bij besluit van 8 maart 2013 het bedrag van de terugvordering verlaagd. Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat er onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen zijn ingetreden. De huidige medische toestand en zorgbehoefte van appellant zijn niet een gevolg van de terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/619 AOW, 13/1924 AOW, 13/1927 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van

16 december 2010, 10/648 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 25 januari 2013 een tussenuitspraak gedaan.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de Svb op 7 en 8 maart 2013 gewijzigde beslissingen op bezwaar genomen.

Bij brief van 8 april 2013 heeft appellant zijn zienswijze over die besluiten naar voren gebracht.

De Raad heeft besloten te zaak te verwijzen naar de enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2013. Namens appellant zijn mr. B.J. Manspeaker en P. Aponno verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

1.

Aangezien de bestreden besluiten van 7 en 8 maart 2013 aan het beroep niet geheel tegemoet komen, wordt op grond van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen de besluiten van 7 en 8 maart 2013. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 25 januari 2013 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hij volstaat hier met het volgende.

2.

Het geschil betreft de herziening bij besluit van 29 december 2009 van het recht op toeslag over de periode van september 2007 tot en met april 2009 omdat is gebleken dat het inkomen van de kleinzoon, voor wie appellant een partnertoeslag ontving, vanaf september 2007 is veranderd. Bij afzonderlijk besluit van 29 december 2009 is een bedrag van € 7.974,90 aan toeslag van appellant teruggevorderd. Bij nog een afzonderlijk besluit van 29 december 2009 is vastgesteld dat appellant op grond van artikel 17a van de AOW vanaf mei 2009 geen recht op toeslag heeft omdat hij geen informatie over het inkomen van de kleinzoon heeft verstrekt. Het bezwaar tegen de besluiten van 29 december 2009 is bij besluit van 30 maart 2010 ongegrond verkaard. Het beroep is tevens ongegrond verklaard.

3.

In de tussenuitspraak heeft de Raad overwogen, voorzover van belang, dat de Svb terecht de toeslag met ingang van mei 2009 heeft beëindigd op de grond dat de Svb appellant diverse malen om inlichtingen verzocht over het inkomen van zijn kleinzoon en appellant de gevraagde inkomensgegevens niet heeft verstrekt. De Raad was met de Svb van oordeel dat daardoor het recht op toeslag niet is vast te stellen. Voorts heeft de Raad vastgesteld dat de Svb heeft verzuimd een besluit te nemen over het bezwaar tegen de terugvordering en in het bijzonder over het betoog dat sprake is van een dringende reden om de terugvordering te matigen. Tot slot heeft de Raad het standpunt van de Svb weergegeven dat bij nader inzien de herziening van de partnertoeslag over de periode van september 2007 tot en met januari 2008 niet wordt gehandhaafd.

4.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de Svb bij besluit van 7 maart 2013 het tijdvak waarop de herziening ziet, beperkt zoals beschreven in de laatste zin van overweging 3, en bij besluit van 8 maart 2013 het bedrag van de terugvordering verlaagd. Daarbij is gesteld dat de Svb niet is gebleken van een dringende reden om deels of geheel van terugvordering af te zien.

5.1.

Appellant heeft in zijn zienswijze gesteld het niet eens te zijn met de beëindiging van het recht op toeslag met ingang van mei 2009. Deze grond behoeft niet opnieuw te worden beoordeeld nu dat reeds in de tussenuitspraak is geschied.

5.2.

Appellant heeft voorts gesteld dat er redenen zijn om van een volledige terugvordering af te zien. Appellant leeft niet in harmonie met zijn kleinzoon. De kleinzoon geeft geen inzage in zijn inkomen. Hij maakt ook schulden. Inmiddels heeft de belastingdienst beslag gelegd bij de kleinzoon. Appellant heeft er op gewezen dat de gegevens die zijn opgenomen in Suwinet, zijn gebaseerd op ambtshalve aanslagen van de belastingsdienst. Voor de inkomsten uit dienstbetrekking zullen de aanslagen wel kloppen maar voor de inkomsten als zelfstandige betreft het een schatting van de belastingdienst. Appellant is, tot slot, ernstig ziek. Het bedrag van de terugvordering is inmiddels volledig betaald. Daardoor heeft appellant geen spaargeld meer terwijl hij juist nu zorg nodig heeft.

5.3.

De wet verplicht de Svb om teveel betaald ouderdomspensioen en teveel betaalde toeslag terug te vorderen. De Svb kan alleen van terugvordering afzien als sprake is van een dringende reden. In wat appellant heeft aangevoerd over zijn financiële omstandigheden ligt geen dringende reden besloten op grond waarvan de Svb had moeten afzien van gehele of gedeeltelijke terugvordering. Dringende redenen kunnen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het bedrag van de terugvordering is inmiddels aan de Svb betaald. Appellant is daarbij blijven beschikken over een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat er als gevolg daarvan onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen zijn ingetreden. De huidige medische toestand en zorgbehoefte van appellant zijn niet een gevolg van de terugvordering.

6.

De Raad komt op grond van wat in de tussenuitspraak en hiervoor is overwogen tot de hieronder vermelde beslissing.

7.

De Raad ziet aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.888,- in hoger beroep.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 30 maart 2010 gegrond en vernietigt dit besluit;

- verklaart het beroep tegen de besluiten van 7 en 8 maart 2013 ongegrond;

- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.888,-;

- bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) K.E. Haan

TM