Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2208

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
12-3815 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ontheffing te verlenen van de verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Toereikende motivering. Appellant heeft geen medische of andere gegevens overgelegd op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren appellant ontheffing te verlenen van de verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. De rechtbank heeft ten onrechte nagelaten een vergoeding voor de nadere zitting toe te kennen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Besluit proceskosten bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/2373
ABkort 2013/403
USZ 2013/383
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3815 WWB

Datum uitspraak: 22 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 juni 2012, 11/366 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke sociale dienst Brunsum Onderbanken en Landgraaf (ISDBOL) (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brauer. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.M. Maayen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 7 juni 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij besluit van 19 juli 2010 heeft het college aan appellant meegedeeld dat appellant vanwege zijn individuele omstandigheden tot 1 juli 2011 wordt ontheven van de verplichtingen om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en zich als werkzoekende in te schrijven bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De verplichting om gebruik te maken van een door het dagelijks bestuur aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling en de verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling blijven voor appellant gelden. Aan dit besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre appellant traject- en arbeidsgeschikt is. Appellant heeft al diverse trajecten en opleidingen doorlopen die steeds voortijdig zijn beëindigd. Om inzicht te krijgen in de reden van de beëindigingen en welk traject wel mogelijkheden voor appellant zou kunnen bieden, is een uitgebreide medische en psychologische keuring noodzakelijk. In dit kader dient ook te worden bezien in hoeverre appellant beperkt is vanwege tinnitus, een beperking van het gehoor.

1.3.

Bij besluit van 7 februari 2011 heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 juli 2010 ongegrond verklaard.

1.4.

Hangende het beroep bij de rechtbank tegen het besluit van 7 februari 2011 heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 8 november 2011 (bestreden besluit) het besluit van

7 februari 2011 gewijzigd in die zin - voor zover hier van belang - dat aan appellant een nadere verplichting wordt opgelegd als bedoeld in artikel 55 van de WWB. Appellant dient medewerking te verlenen aan een uitgebreid medisch en arbeidskundig onderzoek waarin zijn traject- en arbeidsgeschiktheid worden beoordeeld, alsmede zijn belastbaarheid.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 februari 2011 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 8 november 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft verder het dagelijks bestuur veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 874,-.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 9, eerste lid, van de WWB zijn de verplichtingen tot arbeidsinschakeling opgenomen. Artikel 9, tweede lid, van de WWB biedt het college de mogelijkheid om in individuele gevallen tijdelijk ontheffing te verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Daarnaast kan het college, ingevolge artikel 55 van de WWB, verplichtingen opleggen die strekken tot arbeidsinschakeling dan wel die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beëindiging.

4.2.

In geschil is of het college terecht appellant geen ontheffing heeft verleend van de verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Appellant vindt dat hij daarvan volledig moet worden vrijgesteld. Het is zinloos om hem te verplichten om mee te werken aan een uitgebreid medisch en psychologisch onderzoek, omdat hij in ieder geval aan een psychologisch onderzoek zeker niet zal meewerken. Het dagelijks bestuur heeft onvoldoende gemotiveerd waarom een dergelijke, voor hem belastende verplichting wordt opgelegd.

4.2.1.

Anders dan appellant aanvoert, is het bestreden besluit toereikend gemotiveerd. Het dagelijks bestuur heeft besloten een onderzoek in te stellen om inzicht te verschaffen in de competenties en mogelijkheden van appellant. Dat onderzoek was bedoeld om meer duidelijkheid te verkrijgen over de wijze waarop de arbeidsverplichtingen ingevuld kunnen worden en over de vraag of uitstroom naar de reguliere arbeidsmarkt haalbaar is. In dit verband is van belang dat het niet aan appellant is, maar aan het dagelijks bestuur om te bepalen welke voorziening voor de belanghebbende is aangewezen en welk onderzoek daarvoor eventueel noodzakelijk is. Het dagelijks bestuur heeft bovendien niet de instemming van appellant nodig voor een dergelijk onderzoek. Appellant heeft ook geen medische of andere gegevens overgelegd op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren appellant ontheffing te verlenen van de verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.2.2.

Het standpunt van appellant dat de verplichting om mee te werken aan een medisch en psychologisch onderzoek alleen gebaseerd kan zijn op artikel 9 van de WWB en niet op artikel 55 van de WWB, wordt niet onderschreven. Anders dan appellant heeft betoogd, volgt uit artikel 55 van de WWB niet dat dat artikel alleen aan de orde is wanneer een belanghebbende een verplichting wordt opgelegd om zich - op advies van een arts - te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.

4.2.3.

In zoverre slaagt het hoger beroep niet.

4.3.

Appellant heeft in hoger beroep verder nog aangevoerd dat de rechtbank met de vaststelling van de proceskosten in eerste aanleg op € 874,- (twee punten) geen juiste

toepassing heeft gegeven aan het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De rechtbank heeft ten onrechte nagelaten een vergoeding voor de nadere zitting op 19 april 2012 toe te kennen. Deze beroepsgrond slaagt.

4.3.1.

Artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft betrekking op kosten gemaakt in verband met de behandeling van het beroep, welk beroep in beginsel ondeelbaar is. De rechtbank heeft het beroep op grond van artikel 6:19 van de Awb mede gericht geacht tegen het besluit van 8 november 2011. Hieruit vloeit voort dat de in verband met de nader gehouden zitting gemaakte kosten van rechtsbijstand, zijnde redelijkerwijs gemaakte kosten, bij de vaststelling van de proceskosten in aanmerking dienen te worden genomen. Volgens de Bijlage bij het Bpb bedraagt de vergoeding voor een nadere zitting een halve punt.

4.5.

De aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op de proceskosten, komt voor vernietiging in aanmerking. Het beroep van appellant is in zoverre gegrond. Het dagelijks bestuur dient met toepassing van artikel 8:75 van de Awb alsnog in de kosten voor de nadere zitting te worden veroordeeld. Deze worden met toepassing van het Bpb bepaald op € 236,-.


5. Aanleiding bestaat om het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 944,- voor verleende rechtsbijstand. Verder komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten die appellant heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de Raad. Deze kosten worden begroot op € 50,22.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op de

proceskostenveroordeling;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- bepaalt dat de proceskosten in beroep worden vastgesteld op € 1.110,-;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een

bedrag van € 994,22;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 115,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.C.R. Schut en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) V.C. Hartkamp

HD