Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2207

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
13-763 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering studiefinanciering. Geen grond om aan te nemen dat er op grond van artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM op de Minister een positieve verplichting rust om aan appellant studiefinanciering toe te kennen en dat evenmin sprake is van strijd met artikel 14 van het EVRM. Ten aanzien van vreemdelingen die niet voldoen aan het nationaliteitsvereiste of de gelijkstellingsregeling, moet worden aangenomen dat niet met toepassing van de Wsf 2000 gestalte behoeft te worden gegeven aan door artikel 8 van het EVRM gewaarborgde positieve verplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/763 WSF

Datum uitspraak: 9 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

28 december 2012, 12/574 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2013. Appellant was vertegenwoordigd door mr. C.J. Forder, advocaat. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.

Bij besluit van 3 april 2012 (bestreden besluit) heeft de Minister, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit van 30 november 2011, waarbij hij heeft vastgesteld dat appellant vanaf april 2012 geen recht op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) heeft. De Minister heeft daartoe overwogen dat appellant noch voldoet aan het in artikel 2.2 van de Wsf 2000 neergelegde nationaliteitsvereiste, noch voldoet aan de vereisten die gelden voor toepassing van de in artikel 3 van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000) neergelegde gelijkstellingsregeling.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 3 april 2012 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant niet in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning en geen rechtmatig verblijf houdt in Nederland.

2.2.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat de Minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant noch voldoet aan het nationaliteitsvereiste, noch voldoet aan de vereisten voor toepassing van de gelijkstellingsregeling zoals deze zijn vermeld in artikel 3 van het Bsf 2000.

2.3.

De rechtbank heeft de gronden van beroep van appellant met betrekking tot artikel 2 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 14 van het EVRM onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 27 mei 2011 (ECLI:NL:CRvB:2011:BQ6891) en van 11 mei 2012 (ECLI:CRvB:NL:2012:BW7553) verworpen.

3.

Appellant heeft in hoger beroep de aangevallen uitspraak bestreden voor zover de rechtbank zijn gronden van beroep heeft verworpen zoals is weergegeven in de overwegingen 2.1 tot en met 2.3. Appellant heeft naar voren gebracht dat hij rechtmatig in Nederland verblijft. Appellant heeft zich ook in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vaststelling van de Minister dat hij geen recht heeft op studiefinanciering strijdt met artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM en artikel 14 van het EVRM. Daarenboven heeft appellant zich beroepen op artikel 8 van het EVRM. Naar de opvatting van appellant vloeit uit dit artikel voort dat de Nederlandse staat hem steun dient te verlenen om te voorkomen dat hij teloor gaat. De studiefinanciering kan, zoals appellant heeft gesteld, worden gezien als een toegangskaartje tot het onderwijs en als een manier om privéleven mogelijk te maken.

4.1.

De Raad overweegt als volgt.

4.2.

Appellant heeft de Guinese nationaliteit. Appellant was in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met een geldigheidsduur tot 25 februari 2012, de dag waarop appellant de 18-jarige leeftijd heeft bereikt.

4.3.

Appellant heeft een verzoek om voortgezet verblijf gedaan. Sinds 25 februari 2012 heeft appellant, naar volgt uit een brief van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 20 april 2012, rechtmatig verblijf in Nederland op grond van artikel 8, aanhef, onder g en h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

4.4.

In zijn uitspraak van 27 mei 2011, vermeld in 2.3, heeft de Raad overwogen dat de eerste volzin van artikel 2 van het Eerste Protocol van het EVRM binnen de Nederlandse rechtsorde is aan te merken als een ieder verbindende verdragsbepaling als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. In die uitspraak en in de latere uitspraak van 11 mei 2012, eveneens vermeld in 2.3, heeft de Raad overwogen dat studiefinanciering naar zijn oordeel binnen het toepassingsbereik van de eerste volzin van artikel 2 van het Eerste Protocol van het EVRM valt. In beide genoemde uitspraken was sprake van een situatie waarin de betrokkenen niet rechtmatig in Nederland verbleven. Gegeven het niet legale karakter van het verblijf van betrokkenen in Nederland kwam de Raad in beide uitspraken tot de conclusie geen aanknopingspunten te hebben gevonden om het niet toekennen van studiefinanciering aan de betrokkenen in strijd te achten met het door artikel 2 van het Eerste Protocol van het EVRM gegarandeerde recht op onderwijs. De Raad heeft daarbij van belang geacht dat de Verdragspartijen bij de aanwending van de algemene middelen een belangrijke mate van beoordelingsvrijheid toekomt, waarbij prioriteiten mogen worden gesteld en waarbij met name ook een belangrijk gewicht mag worden toegekend aan het al dan niet legale karakter van het verblijf van degene die een beroep doet op het verdragsrecht.

4.5.

In zijn uitspraak van 27 mei 2011 heeft de Raad voorts overwogen dat er een toereikende rechtvaardiging is voor het ingevolge artikel 2.2 van de Wsf 2000 in samenhang met artikel 3 van het Bsf 2000 gemaakte onderscheid in verblijfsrecht, zodat dit gemaakte onderscheid niet leidt tot strijd met artikel 14 van het EVRM.

4.6.

In zijn uitspraak van 22 maart 2013 (ECLI:NL:CRvB:2013:BZ5367) heeft de Raad geoordeeld dat er onvoldoende redenen zijn om in het geval dat betrokkene op het van belang zijnde moment weliswaar rechtmatig in Nederland is, maar hij die status ontleent aan artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000, tot een ander oordeel te komen. De Raad heeft in dit verband overwogen dat op grond van het aan de koppelingswetgeving ontleende artikel 11, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 betrokkene aanspraak kan maken op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen als hem een aanspraak wordt toegekend bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, dan wel bij of krachtens een ander wettelijk voorschrift.

4.7.

De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan volgt uit de overwegingen 4.4 tot en met 4.6. De omstandigheid dat appellant zijn legale status mede ontleent aan artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 maakt dit - nu ook in dat geval sprake is van een situatie waarin nog geenszins vaststaat dat appellant recht zal krijgen op voortgezet verblijf - niet anders.

4.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat de regelgeving op het gebied van de studiefinanciering niet voorziet in een toekenning als bedoeld in 4.6, laatste volzin.

4.9.

Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.8 volgt dat er geen grond is om aan te nemen dat er op grond van artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM op de Minister een positieve verplichting rust om aan appellant studiefinanciering toe te kennen en dat evenmin sprake is van strijd met artikel 14 van het EVRM.

4.10.

Met betrekking tot het beroep van appellante op artikel 8 van het EVRM wijst de Raad

- evenals in zijn uitspraak van 5 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:992) - allereerst op eerdere rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak ECLI:NL:CRvB:2008:BG8776 en de uitspraak ECLI:NL:CRvB:2011:BR1905). In die rechtspraak is overwogen dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) het respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als de “very essence” van het EVRM aanmerkt, waarbij kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht hebben op bescherming. Hierbij verdient aantekening dat alle nationale autoriteiten verplicht zijn tot het waarborgen van

(de “essence” van) de EVRM-rechten, terwijl die autoriteiten bij de vormgeving en uitvoering van die taak een zekere beoordelingsruimte niet kan worden ontzegd.

4.11.

In zijn ontvankelijkheidsbeschikking van 3 mei 2001, Domenech Pardo versus Spanje, nr. 55996/00, heeft het EHRM overwogen dat hoewel het Verdrag als zodanig niet een recht op uitkering waarborgt (vergelijk EHRM 6 juli 2005, r.o. 54 (Stec e.a. v. het VK,

nr. 65731/01 e.a.) en EHRM 25 oktober 2011, r.o. 91 (Valkov e.a. v. Bulgarije, nr. 2033/04 e.a.)), niet kan worden uitgesloten dat, in bepaalde omstandigheden, de weigering om een sociale uitkering toe te kennen, in dat geval een wezenuitkering, problemen kan opleveren uit het oogpunt van artikel 8 van het EVRM, bijvoorbeeld indien ten gevolge van die weigering de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven van de minderjarige onmogelijk wordt gemaakt.

4.12.

In het licht van de in 4.10 en 4.11 beschreven beoordelingsruimte van een Verdragspartij bij de inrichting van zijn stelsel van “sociale voorzieningen”, kan moeilijk worden volgehouden dat in het onderhavige geval ten gevolge van de weigering van studiefinanciering de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven van appellant - die reeds meerderjarig is - onmogelijk wordt gemaakt. Zoals eerder is overwogen, in het kader van aanvragen om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), is het Nederlandse stelsel zo ingericht dat in gevallen als de onderhavige een positieve verplichting op grond van het EVRM in beginsel primair rust op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van, wettelijk geregelde, voorzieningen voor vreemdelingen (vergelijk de uitspraken van ECLI:NL:CRvB:2010:BM1992 en ECLI:NL:CRvB:2011:BU6844) alsmede in voorkomend geval op de bestuursorganen die anderszins belast zijn met de uitvoering van op de situatie van een betrokkene toegesneden voorzieningen (in natura). De controle op de nakoming van zo’n verplichting rust in laatste instantie op de desbetreffende rechter. Het voorgaande brengt mee dat, in lijn met voornoemde rechtspraak, wordt geconcludeerd dat ten aanzien van vreemdelingen die niet voldoen aan het in overweging 1 bedoelde nationaliteitsvereiste of de gelijkstellingsregeling, moet worden aangenomen dat niet met toepassing van de Wsf 2000 gestalte behoeft te worden gegeven aan door artikel 8 van het EVRM gewaarborgde positieve verplichtingen.

5.

Het hoger beroep treft daarom geen doel en de aangevallen uitspraak komt, zij het op enigszins andere gronden, voor bevestiging in aanmerking.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2013.

(getekend) J. Brand

(getekend) S. Aaliouli

GdJ