Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2204

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
11-6083 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Geen recht op WIA-uitkering. Niet is gebleken dat de verzekeringsartsen hun oordeel over de gezondheidssituatie van appellant hebben gevormd door andere dan medische argumenten. Het feit dat bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling niet expliciet naar de protocollen is verwezen, maakt de beoordeling nog niet onzorgvuldig. De bezwaarverzekeringsarts heeft onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom hij is afgeweken van de door de primaire verzekeringsarts gegeven urenbeperking. Overleg was op zijn plaats geweest, temeer nu de bezwaarverzekeringsarts appellant weliswaar gezien en gesproken heeft tijdens de hoorzitting, maar niet zelf heeft onderzocht. De Raad draagt het Uwv het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het Uwv dient alsnog op een adequate manier te motiveren waarom de bezwaarverzekeringsarts tot een bijstelling van de FML is gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6083 WIA-T

Datum uitspraak: 11 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 september 2011, 10/2112 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.C. Vijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend, waarop het Uwv schriftelijk heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 29 april 2007 met fysieke en psychische klachten uitgevallen voor zijn werk als ADL-assistent voor 22 uur per week. Blijkens het verzekeringsgeneeskundige rapport van 2 april 2009 heeft de verzekeringsarts, uitgaande van de diagnosen neuropathie

N. Saphenus rechts; rugpijn aspecifiek chronisch, discrete discopathie L5/S1; depressieve stoornis, eenmalig, licht, samenhangend met rouwreactie en arbeidsconflict, appellant beperkt belastbaar voor arbeid geacht. In een rapport van 28 april 2009 heeft de verzekeringsarts weergegeven dat blijkens nog ontvangen informatie van de huisarts, neuroloog en orthopeed in november 2008 geen neuropathie meer aantoonbaar was, maar appellant desondanks pijn hield in het rechteronderbeen. De verzekeringsarts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, met daarin onder meer een urenbeperking tot 30 uur per week. In arbeidskundig onderzoek is vervolgens geconcludeerd dat appellant een verlies aan verdiencapaciteit heeft van minder dan 35%. Bij besluit van 26 mei 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat hij met ingang van

26 april 2009 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 17 september 2009 gegrond verklaard omdat het Uwv het procesdossier niet meer kon traceren en dus niet tot een onderbouwde heroverweging kon overgaan. Aan appellant is met ingang van 26 april 2009 alsnog een WIA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot

100%. Tegen dit besluit heeft de (voormalig) werkgever van appellant beroep ingesteld.

1.3. Terwijl de beroepsprocedure van de werkgever tegen het besluit van 17 september 2009 bij de rechtbank aanhangig was, heeft het Uwv het procesdossier alsnog getraceerd en is het Uwv tot een inhoudelijke heroverweging overgegaan. Bezwaarverzekeringsarts

A.J.D. Versteeg heeft het dossier bestudeerd en de hoorzitting, waar appellant aanwezig was, bijgewoond. Hij heeft de diagnosen aspecifieke rugklachten, depressieve episode en nekklachten gesteld. Omdat sprake is van een lichte depressie is, zoals ook door de primaire verzekeringsarts was vastgesteld, appellant aangewezen op een voorspelbare werksituatie en op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken. De door de primaire verzekeringsarts opgenomen urenbeperking heeft de bezwaarverzekeringsarts laten vervallen omdat getoetst vanuit energetisch of preventieve criteria deze beperking volgens hem niet is geïndiceerd.

Vanuit het oogpunt van activering en mobilisering heeft hij op de items 4.19 (lopen tijdens het werk) en 5.4 (staan tijdens het werk) minder vergaande beperkingen dan de primaire verzekeringsarts in de FML opgenomen. Ook op item 4.11 (frequent buigen tijdens het werk) acht hij een lichtere beperking aangewezen.

1.4. Uit onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige is gebleken dat deze gewijzigde FML geen consequenties heeft voor de door de primaire arbeidsdeskundige vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid, te weten minder dan 35%.

2.

Bij besluit van 29 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van

17 september 2009 ingetrokken. De uitkering zal nog worden uitbetaald tot zes weken na dit besluit. De werkgever van appellant heeft vervolgens zijn beroep tegen het besluit van

17 september 2009 ingetrokken.

3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen - voor zover van belang in verband met de gronden van het hoger beroep - dat de bezwaarverzekeringsarts inzichtelijk en overtuigend heeft gemotiveerd dat er aanleiding was om minder beperkingen in de FML op te nemen dan de primaire verzekeringsarts had gedaan, dat er geen aanleiding bestaat om aan de juistheid van de FML te twijfelen en dat ook het arbeidskundig onderzoek deugdelijk is geweest.

4.1.

In hoger beroep heeft appellant betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen aanleiding bestaat om de FML niet juist te achten. Volgens appellant zijn de psychische beperkingen van appellant door het Uwv onderschat en blijkt uit informatie van de behandelend psycholoog dat sprake is van een depressieve stoornis en dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Daarbij is van belang dat de bezwaarverzekeringsarts zijn onderzoek eerst een jaar na datum in geding heeft verricht en dat de verzekeringsartsen de relevante verzekeringsgeneeskundige protocollen niet hebben gevolgd. Zo had er ingevolge het protocol depressieve stoornissen een plan van aanpak moeten worden opgesteld, begeleiding moeten worden gegeven en een herbeoordeling worden gepland. Verder heeft appellant betoogd dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte niet van de diagnose neuropathie aan het rechterbeen uitgaat en dat ook de fysieke beperkingen zijn onderschat. Door appellant wordt opgemerkt dat de besluitvorming door de verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest.

4.2.

Desgevraagd bevestigd ter zitting zijn de gronden van het hoger beroep slechts gericht op de medische beoordeling. Er worden geen louter arbeidskundige gronden tegen de aangevallen uitspraak ingebracht.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Appellant heeft zijn standpunt dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming mede gebaseerd op zijn vermoeden dat de primaire verzekeringsarts de bedrijfsarts van de (voormalig) werkgever van appellant kende, hetgeen volgens hem blijkt uit het amicale taalgebruik in de mailwisseling tussen beide artsen en bepaalde informatie die de verzekeringsarts alleen van de bedrijfsarts zou kunnen hebben. Nu uit niets is gebleken dat de verzekeringsartsen hun oordeel over de gezondheidssituatie van appellant hebben gevormd door andere dan medische argumenten, kan deze grond niet kan slagen.

5.2.

Ook de stelling van appellant, dat in strijd met het protocol depressieve stoornis geen plan van aanpak is opgesteld, geen begeleiding is opgestart en geen herbeoordeling is gepland kan, wat overigens van deze stelling zij, niet leiden tot het oordeel dat in het kader van de in dit geschil aan de orde zijnde WIA-beoordeling een onzorgvuldige en onjuiste beoordeling heeft plaatsgevonden. Ook het feit dat bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling niet expliciet naar de protocollen is verwezen, maakt de beoordeling nog niet onzorgvuldig. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, verwezen wordt naar de uitspraak van 16 september 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7873), zijn de verzekeringsgeneeskundige protocollen bedoeld als een hulpmiddel voor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Zoals de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 25 oktober 2011 heeft vermeld, blijkt uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten voldoende dat de beoordeling mede in het licht van hetgeen in de protocollen is opgenomen over de wijze van beoordeling van depressieve stoornis en aspecifieke lage rugpijn, heeft plaatsgevonden.

5.3.

Voor wat betreft de vraag of voldoende rekening is gehouden met de psychische klachten van appellant spitst het geschil zich toe op de vraag of voldoende beperkingen in rubriek 1 (persoonlijk functioneren) en rubriek 6 (werktijden) van de FML zijn opgenomen. Hierbij is van belang dat waar de primaire verzekeringsarts een urenbeperking tot 30 uur per week in de FML heeft neergelegd, de bezwaarverzekeringsarts een urenbeperking niet aangewezen heeft geacht.

5.4.

Er is geen aanleiding te komen tot het oordeel dat met het aannemen van een tweetal beperkingen op item 1.9 van de FML onvoldoende is rekening gehouden met de klachten van appellant die voortkomen uit zijn depressieve klachten. Over de aard van de depressie en de in verband hiermee aan te nemen beperkingen bestaat verschil van inzicht tussen de verzekeringsartsen en appellant, die daarvoor heeft verwezen naar het rapport van psychotherapeute L.M. Macnack van 27 februari 2009 aan de bedrijfsarts van de (voormalig) werkgever van appellant en haar brief van 6 augustus 2013 aan de gemachtigde van appellant. Macnack acht appellant ten tijde in geding ernstig geïnvalideerd door de depressieve episode en acht hem meer beperkt dan door het Uwv is aangenomen, onder andere omdat lezen, spreken en schrijven een zekere concentratie vergen. Zij acht een urenbeperking, in ieder geval voor wat betreft het dagnachtritme, gelet op zijn depressie, aangewezen. Deze bevindingen van Macnack zijn niet zodanig dat deze doen twijfelen aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts voor wat betreft de in rubriek 1 opgenomen beperkingen. Uit het rapport van 2 april 2009 van de verzekeringsarts blijkt dat de affectieve en cognitieve beperkingen van appellant zijn geïnventariseerd en dat ten aanzien van aandacht, concentratie en overige cognitieve functies geen bijzonderheden waarneembaar waren. Dat dit anders zou zijn, blijkt niet uit de rapporten van Macnack.

5.5.

Uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten blijkt voldoende dat de beoordeling van de psychische gezondheidssituatie van appellant leidend is geweest voor het vaststellen van de beperkingen en niet, zoals appellant heeft betoogd, louter zijn ingegeven door de Basisinformatie CBBS 2009. De toelichting in de Basisinformatie omtrent ernstige stoornissen laat onverlet de mogelijkheid voor de verzekeringsarts om een beperking aan te geven bij beoordelingspunten 1.1 tot en met 1.8, ook als geen sprake is van een ernstige stoornis. In het onderhavige geval is door de verzekeringsartsen voldoende en inzichtelijk gemotiveerd waarom in het geval van appellant volstaan is met het opnemen van beperkingen in rubriek 1.9. De Raad verwijst naar zijn (tussen)uitspraken van 4 september 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1646).

5.6.

Voor wat betreft de beroepsgrond van appellant dat de bezwaarverzekeringsarts niet ten nadele van appellant de door de verzekeringsarts in de FML opgenomen urenbeperking (noch andere beperkingen) had mogen schrappen, geldt dat het een bezwaarverzekeringsarts in beginsel vrij staat om in het kader van de heroverweging in bezwaar een door de primaire verzekeringsarts opgestelde FML te wijzigen. De bezwaarprocedure is immers bij uitstek bedoeld om het primaire besluit volledig te heroverwegen. Van strijd met het verbod van reformatio in peius is geen sprake, zolang door de desbetreffende aanpassing door de bezwaarverzekeringsarts de betrokkene materieel niet in een nadeliger rechtspositie wordt gebracht. Van een nadeliger rechtspositie is hier geen sprake.

5.7.

Dit neemt niet weg dat in de situatie als de onderhavige, waarin de bezwaarverzekeringsarts minder beperkingen opneemt dan de primaire verzekeringsarts, de bezwaarverzekeringsarts inzichtelijk en deugdelijk dient te motiveren waarom hiertoe wordt overgegaan. Anders dan de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij is afgeweken van de door de primaire verzekeringsarts gegeven urenbeperking. Dat, zoals de bezwaarverzekeringsarts heeft verondersteld, voor de verzekeringsarts de

re-integratieproblematiek leidend zou zijn geweest voor het vaststellen van de urenbeperking, blijkt niet uit de rapporten van de verzekeringsarts. Het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts, dat getoetst aan energetische en preventieve criteria een urenbeperking niet geïndiceerd is, wijkt ook af van dat van de primaire verzekeringsarts die blijkens zijn rapport van 28 april 2009 in verband met de depressie van appellant uit preventieve overwegingen een urenbeperking tot 30 uur per week heeft gesteld. In dit opzicht sluit het oordeel van de primaire verzekeringsarts meer aan bij het door psychotherapeute Macnack ingenomen standpunt, zodat de bezwaarverzekeringsarts ook hieraan niet zonder meer voorbij heeft kunnen gaan.

5.8.

Voor wat betreft de motivering van de bezwaarverzekeringsarts voor het aannemen van minder beperkingen op het fysieke vlak, blijkt uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 23 maart 2010 dat hij ervan uitgaat dat uiteindelijk, na orthopedische en neurologische analyse, de diagnose is gesteld op aspecifieke lage rugklachten en dat slechts symptomatische behandeling in de vorm van pijnbehandeling resteert. Vervolgens stelt de bezwaarverzekeringsarts dat het accent van de therapeutische inzet de laatste jaren activerend en mobiliserend is en dat appellant voor het lopen en staan tijdens het werk meer belastbaar is dan de primaire verzekeringsarts heeft aangenomen, mede omdat radiculaire prikkeling is uitgesloten.

5.9.

Dat de bezwaarverzekeringsarts niet langer is uitgegaan van de diagnose neuropathie komt overeen met de door de huisarts en de neuroloog gegeven informatie waarover ook de primaire verzekeringsarts beschikte blijkens het rapport van 28 april 2009. Dit betekent dat waar de primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts over in essentie dezelfde medische informatie beschikten, de afweging door de bezwaarverzekeringsarts een andere is geweest, kennelijk mede ingegeven door een gewijzigd therapiebeleid.

5.10.

Zeker nu de bezwaarverzekeringsarts appellant weliswaar gezien en gesproken heeft tijdens de hoorzitting, maar niet zelf heeft onderzocht, had het in de rede gelegen om in overleg te treden met de verzekeringsarts om over het verschil van inzicht van gedachten te wisselen. Nu de bezwaarverzekeringsarts dit heeft nagelaten, althans een dergelijk overleg niet op kenbare wijze heeft plaatsgevonden, is sprake van een onvoldoende deugdelijk verzekeringsgeneeskundig onderzoek.

6.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat sprake is van een gebrek in de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit. Dit besluit is dus in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

7.

De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen het hiervoor genoemde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Gelet op het hiervoor weergegeven oordeel van de Raad dient het Uwv alsnog op een adequate manier te motiveren waarom de bezwaarverzekeringsarts tot een bijstelling van de FML is gekomen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze tussenuitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en

K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) S. Aaliouli

IvR