Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2202

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
10-2825 INBURG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met het nieuwe besluit is geheel aan de bezwaren van appellante tegemoet gekomen. Kostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 16 oktober 2013

10/2825 INBURG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank

's-Gravenhage van 24 maart 2010, 09/5518 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De Raad heeft op 20 februari 2013 een tussenuitspraak gedaan waarin aan het college is opgedragen het gebrek in het besluit van 23 juni 2009 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Het college heeft op 27 juni 2013 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Bij brief van 11 juli 2013 heeft mr. Beelaard namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.

Het college heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

De Raad stelt vast dat met het nieuwe besluit van 27 juni 2013 geheel aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen.

Nu het college niet heeft betwist dat aldus aan appellante is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om het college te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Aangezien het college in het besluit van 27 juni 2013 al heeft aangegeven de kosten van de bezwaarprocedure te vergoeden, staan de Raad nog ter beoordeling de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot

op € 944,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 944,-- voor verleende rechtsbijstand en, gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, worden op basis van openbaar vervoer, tweede klasse, vergoed € 24,34 aan reiskosten in hoger beroep, dus totaal

€ 1.912,34.

Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het college wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.912,34.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013.

(getekend) G.M.T. Berkel-Kikkert

(getekend) S. Aaliouli

IvR