Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2201

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
25-10-2013
Zaaknummer
12-2930 WOJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indicatie voor verblijf bij pleegouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2930 WOJ

Datum uitspraak: 16 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de kinderrechter van de rechtbank
’s-Hertogenbosch (rechtbank) van 12 april 2012, 235488/FA RK 11-4805 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (Bjz)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.S.Th.H. Ruijters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bjz heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft Bjz nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ruijters. Bjz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. de Koning en R. van der Looij.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Na het overlijden van haar zus op 27 oktober 2005, heeft appellante vanaf 1 februari 2006 de dochter van haar zus, [D.], geboren op 8 februari 2002, met goedvinden van de vader, bij haar in huis opgenomen. Dit omdat de vader van [D.] door zijn verstandelijke beperking niet voor de verzorging en opvoeding van [D.] kon zorgdragen. Evenmin was de grootmoeder van [D.] aan vaders zijde in staat voor [D.] te zorgen.

1.2. Appellante heeft in mei en november 2009 haar zorgen over [D.] bij Bjz kenbaar gemaakt. In januari 2010 heeft zij opnieuw contact met Bjz opgenomen en de verergerde, zorgelijke situatie rond [D.] bij brief van 21 januari 2010 nader toegelicht. Volgens appellante moet in het belang van de ontwikkeling van [D.] actie worden ondernomen, zoals een formalisering van de plaatsing van [D.] in het netwerkpleeggezin van appellante en dient appellante beslissingsbevoegdheid over [D.] te verkrijgen.

1.3. Op 28 januari 2010 heeft Bjz de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) gerapporteerd over de situatie van [D.] en verzocht onderzoek te doen naar de mogelijkheid om appellante te belasten met de eenhoofdige voogdij over [D.]. De RvdK heeft vervolgens onderzoek gedaan en de bevindingen daarvan neergelegd in een rapport van 9 maart 2010. Volgens de RvdK is er sprake van een gezagsvacuüm, omdat de vader van [D.] onder curatele wordt geplaatst en uit dien hoofde onbevoegd zal zijn het gezag over [D.] uit te oefenen. De RvdK komt tot de conclusie dat het in het belang van [D.] is dat appellante de voogdij over [D.] krijgt. Bij verzoekschrift van 9 maart 2010 heeft de RvdK de rechtbank verzocht appellante te benoemen tot voogdes over [D.]. Bij beschikking van 12 juli 2010, zaaknummer

208633/FA RK 10-1384, is dit verzoek toegewezen en is appellante benoemd tot voogdes.

1.4. Op 8 augustus 2010 heeft appellante bij Bjz een aanvraag ingediend om ten behoeve van [D.] een indicatiebesluit te nemen. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft Bjz op

31 augustus 2010 een diagnostisch beeld opgemaakt dat is bedoeld om vast te stellen of en, zo ja, welke zorg [D.] nodig heeft. Appellante heeft bij die gelegenheid de aanvraag nader toegelicht en daarbij aangegeven dat pedagogische hulp en begeleiding bij de opvoeding van [D.] nodig is, alsmede de plaatsing van [D.] in het netwerkpleeggezin van appellante. Volgens het diagnostisch beeld is een indicatiebesluit nodig en dient als vervolg op het diagnostisch beeld een niveaubepaling plaats te vinden om zicht te krijgen op wat passende hulp en behandeling voor [D.] zou zijn.

1.5. Bij besluit van 1 oktober 2010 heeft Bjz de aanvraag van 8 augustus 2010 afgewezen.

1.6. Bij besluit van 27 juni 2011 (bestreden besluit) heeft Bjz het bezwaar tegen het besluit van 1 oktober 2010 ongegrond verklaard. Aan deze afwijzing heeft Bjz ten grondslag gelegd dat voor [D.] indicatie voor verblijf bij pleegouder niet mogelijk is, omdat er alleen sprake kan zijn van pleegoudervoogdij als er daarvoor sprake is geweest van pleegzorg in de zin van de Wet op de jeugdzorg (Wjz). Een eerdere indicatie voor verblijf bij pleegouder heeft niet plaatsgevonden, omdat - voorafgaand aan het benoemen van appellante tot voogdes - hiervoor zowel in het vrijwillige als in het gedwongen kader geen aanleiding en/of noodzaak was. Appellante is weliswaar gewezen op de mogelijkheid het pleegoudertraject in te gaan, maar de uitkomst daarvan is per definitie onzeker. Er zijn geen duidelijke en ondubbelzinnige toezeggingen gedaan op basis waarvan appellante erop kon vertrouwen dat voor [D.] een indicatie voor verblijf bij pleegouder zou worden afgegeven.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat een indicatie voor pleegzorg uitsluitend mogelijk is in het kader van een machtiging tot uithuisplaatsing. Ten aanzien van [D.] is een dergelijke machtiging voor uithuisplaatsing niet in beeld geweest, omdat ruim voordat appellante contact zocht met Bjz in de familiekring al was besloten dat [D.] bij appellante en haar echtgenoot zou gaan wonen en de vader van [D.] die situatie ook zo heeft gelaten. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat van de zijde van Bjz rechtens te honoreren toezeggingen zijn gedaan.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat een indicatie voor pleegzorg uitsluitend in het kader van een machtiging tot uithuisplaatsing mogelijk is. Volgens appellante is er feitelijk sprake van netwerkpleegzorg en heeft Bjz dit naar aanleiding van de hulpvraag van appellante ten onrechte niet geformaliseerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt - ambtshalve oordelend - vast dat de rechtbank haar oordeel over de afwijzing van de aanvraag om indicatie te stellen niet heeft gebaseerd op de door Bjz aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde grond. De rechtbank heeft derhalve in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet op de grondslag van het beroepschrift uitspraak gedaan. De Raad ziet hierin, mede gelet op het feit dat artikel 8:69, eerste lid, van de Awb van openbare orde is, aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen. Ook overigens heeft appellante terecht aangevoerd dat de rechtbank er niet van uit mocht gaan dat een indicatie voor verblijf bij pleegouder alleen mogelijk is in combinatie met een uithuisplaatsing, aangezien een dergelijke indicatie, zoals Bjz ook heeft bevestigd, evengoed in het vrijwillige kader mogelijk is. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit beoordelen.

4.2. Het geschil in hoger beroep gaat om de vraag of Bjz terecht geweigerd heeft [D.] te indiceren voor verblijf bij pleegouder. Hierbij is het volgende wettelijke kader, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit luidde, van belang.

“Artikel 3 van de Wjz, voor zover van belang:

1. Cliënten (...) hebben aanspraak op jeugdzorg. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden aard, inhoud en omvang van de jeugdzorg waarop aanspraak bestaat, geregeld. (...)

3. Een cliënt heeft slechts aanspraak op jeugdzorg ingevolge deze wet als de stichting die werkzaam is in de provincie waar de jeugdige duurzaam verblijft, een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat die cliënt op die zorg is aangewezen. (...)

(...)

Artikel 5 van de Wjz, voor zover van belang:

1. De stichting heeft tot taak te bezien of een cliënt zorg nodig heeft in verband met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in verband met problemen van een cliënt, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren.

2. Tot de taak, bedoeld in het eerste lid, behoort het vaststellen of een cliënt is aangewezen op:

a. jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat,

(...)

3. De stichting oefent de taak, bedoeld in het eerste lid, uit op verzoek van een cliënt of uit eigen beweging.

(...)

Artikel 10 van de Wjz, voor zover van belang:

1.

De stichting heeft bovendien tot taak:

(...)

f. het actief bijstaan van een cliënt en het zo nodig motiveren van een cliënt tot het tot gelding brengen van zijn aanspraak op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid;

(...)

Artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wjz:

De aanspraak op jeugdzorg ingevolge de wet omvat: jeugdhulp, verblijf en observatiediagnostiek.

Artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit Wjz, voor zover van belang:

1.

Verblijf omvat het aan een jeugdige gedurende het etmaal of een deel daarvan bieden van verblijf met een passend pedagogisch klimaat bij een pleegouder of in een accommodatie van een zorgaanbieder.

2.

Geen aanspraak bestaat op verblijf voor zover:

a. de jeugdige geen psychosociale, psychische of gedragsproblemen heeft, dan wel de jeugdige of zijn ouders, stiefouder, of anderen die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van die jeugdige het hoofd kunnen bieden, al dan niet met jeugdhulp als bedoeld in artikel 3, met behulp van personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders,

(...)

3. In afwijking van het tweede lid, onder a, bestaat aanspraak op verblijf:

a. indien het een minderjarige betreft die onder voogdij van een stichting staat;

b. als door verblijf bij een pleegouder het hoofd kan worden geboden aan de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van de jeugdige.

(...).”

4.3.

De Raad begrijpt het bestreden besluit aldus dat Bjz de verzochte indicatie heeft geweigerd op grond van artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit Wjz en daarbij ook de uitzondering genoemd in het derde lid niet van toepassing heeft geacht.

4.4.

Gelet op de inhoud van de onder 1.3 genoemde stukken en het onder 1.4 genoemde diagnostisch beeld staat vast dat bij [D.] sprake is van opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen en dat het gezin van de vader van [D.], ook nadat hij is hertrouwd, niet in staat is deze het hoofd te bieden, zodat [D.] niet thuis kan verblijven. Ook staat op grond van genoemde stukken vast dat appellante [D.] het in artikel 4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wjz vereiste passende pedagogische klimaat wél kan bieden. In die zin wordt voldaan aan de voorwaarden om verblijf bij pleegouder te indiceren.

4.5.

Volgens Bjz kan desondanks de gevraagde indicatie niet worden toegewezen wanneer de aanvraag wordt ingediend door een pleegouder die tevens de voogdij heeft, tenzij er voor de voogdijbeslissing al sprake was van een indicatie tot verblijf. Bjz ziet hierin een formele belemmering om de indicatie toe te kunnen wijzen.

4.6.

De Raad ziet in het onder 4.2 aangehaalde wettelijke kader geen steun voor die opvatting van Bjz. Evenmin is uit de toelichting bij artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit Wjz

(Stb. 2004, 703) voor een dergelijke uitleg steun te vinden. Ook voor zover Bjz meent dat dit de bedoeling van de wetgever is, gelet op het standpunt dat de Minister van Jeugd en Gezin in zijn (ongedateerde) brief aan de Tweede Kamer (kenmerk JZ/GJ-2912000) heeft ingenomen, volgt de Raad Bjz daarin niet. Weliswaar schrijft de Minister dat een pleegzorgvergoeding niet kan zijn gebaseerd op het feit dat een netwerkpleegouder meent hier recht op te hebben en dat de Wjz geen financiële vergoedingenwet is, maar de Minister schrijft in dezelfde alinea ook dat als er sprake is van opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen bij een jeugdige die de omgeving zelf niet kan opvangen, de mogelijkheid van een indicatie voor pleegzorg bestaat. Hierbij brengt de Minister niet ter sprake dat deze mogelijkheid niet zou kunnen bestaan ten aanzien van de (eenhoofdige) pleegoudervoogd.

4.7.

Aanvankelijk was [D.] officieus in het netwerkpleeggezin van appellante geplaatst. Een formele netwerkplaatsing werd door vader geblokkeerd zoals blijkt uit de onder 1.2 genoemde brief van 21 januari 2010 van appellante aan Bjz. Uit de onder 1.3 genoemde rapporten van Bjz en de RvdK blijkt dat het in het belang van [D.] was om haar te indiceren voor verblijf bij pleegouder. Bjz heeft ter zitting toegelicht dat, in het geval zij zelf tot voogd zouden zijn benoemd, er geen belemmering zou zijn om het verblijf bij pleegouder te indiceren. Uit de onder 1.3 genoemde voogdijbeschikking van 12 juli 2010 blijkt dat appellante de voogdij over [D.] heeft gekregen omdat verwaarlozing van [D.] dreigde. Onder deze bijzondere omstandigheden kan aan de verkrijging van de voogdij niet die betekenis worden toegekend die Bjz daaraan heeft toegekend.

4.8.

Uit hetgeen onder 4.6 en 4.7 is overwogen volgt dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. Aan bespreking van de overige (hoger)beroepsgronden komt de Raad niet meer toe.

4.9.

Met het oog op het belang om tot een finale beslechting van het geschil te komen, ziet de Raad aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien op de hierna in het dictum aangegeven wijze.

5.

Aanleiding bestaat om Bjz te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 944,- in beroep en op € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 27 juni 2011;

  • -

    bepaalt, onder herroeping van het primaire besluit van 1 oktober 2010 in zoverre, dat [D.] met ingang van 1 oktober 2010 op grond van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wjz is geïndiceerd voor verblijf bij pleegouder;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 27 juni 2011;

  • -

    veroordeelt Bjz in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.888,-;

  • -

    bepaalt dat Bjz appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en W.H. Bel en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) S. Aaliouli

NW