Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2198

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
13-1713 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering. Na een eerdere terugwijzing heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard. De functie naaister is daarin ten onrechte ongeschikt geacht voor betrokkene. Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen een tussenuitspraak. Wel is hoger beroep tegen een tussenuitspraak mogelijk tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de (eind)uitspraak. Het Uwv had echter geen belang om hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 december 2010, waarin de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. De medische grondslag van het bestreden besluit staat in rechte vast. Geen aanleiding om de voorgehouden functies ongeschikt te achten. Geen sprake van overschrijdingen van de belastbaarheid. Het Uwv heeft dan ook terecht vastgesteld dat voor betrokkene met ingang van 5 september 2006 geen recht is ontstaan op een

WIA-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/2374
ABkort 2013/408

Uitspraak

13/1713 WIA

Datum uitspraak: 23 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

27 februari 2013, 12/5631 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R.A. Severijn, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal. Namens betrokkene is verschenen

mr. Severijn.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak en de Raad in zijn uitspraak van 9 december 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU7433) heeft vermeld. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij besluit van 6 oktober 2006 heeft appellant vastgesteld dat voor betrokkene geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat hij met ingang van 5 september 2006 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het door betrokkene tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 maart 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 26 januari 2009, 07/3319, het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

1.3. Bij besluit van 4 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 6 oktober 2006 opnieuw ongegrond verklaard.

1.4. De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 7 juli 2010 geoordeeld dat de functie productiemedewerker textiel, geen kleding, SBC-code 272042, functienummer

9831-0074-007 (hierna: naaister) niet geschikt is te achten voor betrokkene en dat appellant deze functie ten onrechte bij de schatting van het verlies aan verdiencapaciteit heeft betrokken. De rechtbank heeft appellant in de gelegenheid gesteld dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Appellant heeft vervolgens gemotiveerd dat de functie naaister wel geschikt is voor betrokkene. Bij uitspraak van 15 december 2010, 09/6471, heeft de rechtbank de motivering van appellant gevolgd en de functie naaister alsnog geschikt geacht voor betrokkene. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van dit besluit in stand gelaten.

1.5. Betrokkene heeft tegen de uitspraak van 15 december 2010 hoger beroep ingesteld. In zijn uitspraak van 9 december 2011 heeft de Raad geoordeeld dat de rechtbank in haar uitspraak van 15 december 2010 een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de artikelen 8:51b, eerste lid en 8:51c, aanhef in verband met onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad heeft deze uitspraak vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de reactie van appellant op de tussenuitspraak zo dient te worden uitgelegd dat appellant geen gebruik heeft gemaakt van de in de tussenuitspraak aan hem geboden gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De rechtbank heeft de functie naaister ongeschikt geacht, vastgesteld dat daardoor de mediaan wijzigt en heeft met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder c, van de Awb, geoordeeld dat aan betrokkene per 5 september 2006 een uitkering op grond van de Wet WIA moet worden toegekend, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven over vergoeding aan betrokkene van griffierecht en proceskosten.

3.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en stelt zich op het standpunt dat thans kan worden toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de door appellant voor betrokkene geschikt geachte functie naaister en verwijst voor de motivering van dat standpunt naar de arbeidskundige rapporten van 27 mei 2010 en 28 juli 2010.

4.

Betrokkene kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en de tussenuitspraak dat de functie naaister een overschrijding van de belastbaarheid oplevert vanwege item 1.1 in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), omdat een concentratie van langer dan een half uur is vereist. Dit standpunt heeft betrokkene ook toegelicht in de aanvullende beroepschriften van 8 oktober 2009, 7 mei 2010 en 1 april 2011. Het oordeel van de rechtbank in de tussenuitspraak moet volgens betrokkene worden gevolgd omdat appellant tegen de tussenuitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld. Daarnaast heeft appellant de mogelijkheid voorbij laten gaan om functies bij te duiden. Betrokkene leeft al zeven jaar in onzekerheid over zijn aanspraak op een WIA-uitkering. Dit is volgens betrokkene in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

5.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2.

Anders dan betrokkene veronderstelt volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet, dat geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen een tussenuitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.7 in de Awb. Het derde lid van artikel 18 van de Beroepswet biedt wel de mogelijkheid om tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de (eind)uitspraak hoger beroep in te stellen tegen de tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a van de Awb. Appellant had echter geen belang om hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 december 2010, waarin de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Dat appellant destijds geen hoger beroep tegen deze uitspraak heeft ingesteld kan hem daarom niet worden tegengeworpen. Uit de gronden en argumenten die appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht tegen de aangevallen uitspraak, blijkt dat appellant zich niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank in de tussenuitspraak ten aanzien van de functie naaister.

5.3.1.

Eerst moet worden beoordeeld of de rechtbank bij de aangevallen uitspraak de functie naaister terecht ongeschikt heeft geacht voor betrokkene.

5.3.2.

Bij arbeidskundig rapport van 28 juli 2010 heeft appellant gemotiveerd dat de functie naaister eenvoudige, routinematige handelingen betreft en dat betrokkene - na overleg met de bezwaarverzekeringsarts - in staat wordt geacht om deze werkzaamheden te verrichten. Verwezen wordt naar het verweerschrift van appellant van 26 april 2011. De deeltaken van ongeveer twee minuten worden gemiddeld vier keer per uur onderbroken door andere bezigheden, waardoor de noodzaak van voortdurende concentratie wordt doorbroken. De concentratie van vijftien minuten past binnen de belastbaarheid in de FML. Deze motivering van appellant wordt bevestigd door de omschrijving van de werkzaamheden in het Resultaat functiebeoordeling. De functie naaister moet dan ook geschikt worden geacht voor betrokkene. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

5.3.3.

Nu de aangevallen uitspraak wordt vernietigd moet het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit worden beoordeeld. Bij het bestreden besluit heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 6 oktober 2006, waarin appellant heeft vastgesteld dat voor betrokkene geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan omdat hij met ingang van

5 september 2006 minder dan 35% arbeidsongeschikt is, ongegrond verklaard. Aan de hand van de FML heeft appellant naast de functie naaister (mediaan), de functies wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122) aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten grondslag gelegd. De medische grondslag van het bestreden besluit staat in rechte vast omdat betrokkene tegen de uitspraak van de rechtbank

26 januari 2009 geen hoger beroep heeft ingesteld. De gronden en argumenten die betrokkene heeft aangevoerd tegen de functies geven geen aanleiding om deze functies ongeschikt te achten voor betrokkene. Verwezen wordt naar de arbeidskundige rapporten van 29 juli 2009, 26 november 2009 en 27 mei 2010, waarin appellant heeft gemotiveerd waarom in de functies geen sprake is van overschrijdingen van de belastbaarheid van betrokkene op de in geding zijnde datum. Vergelijking van het voor betrokkene geldende maatmaninkomen met het loon dat betrokkene nog kan verdienen met de voor hem passende functies resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Appellant heeft dan ook terecht vastgesteld dat voor betrokkene met ingang van 5 september 2006 geen recht is ontstaan op een

WIA-uitkering. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard.

5.4.

Betrokkene heeft desgevraagd ter zitting niet nader geconcretiseerd welke rechtsgevolgen moeten worden verbonden aan zijn beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel. Zodat de Raad daaraan voorbij gaat.

6.

Omdat het beroep van betrokkene ongegrond wordt verklaard, is veroordeling tot vergoeding van de wettelijke rente niet mogelijk, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

7.

Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek van betrokkene om veroordeling tot vergoeding van de wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) J.C. Hoogendoorn

GdJ