Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2193

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
25-10-2013
Zaaknummer
12-6349 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft het college de aanvraag van appellant om een langdurigheidstoeslag afgewezen, omdat appellant niet in de referte periode van 60 maanden ononderbroken een inkomen heeft ontvangen dat niet hoger is dan 100% van de voor hem geldende bijstandsnorm. De Raad heeft geoordeeld dat voor de vraag hoe hoog het inkomen van een betrokkene in een referteperiode is geweest, als regel dient te worden uitgegaan van het netto inkomen zoals dat feitelijk in die periode is ontvangen. Voor het recht op langdurigheidstoeslag is bepalend of in de referteperiode sprake was van een inkomen op minimumniveau. Nu appellant in de referteperiode een inkomen had dat hoger was dan het minimumniveau in de zin van artikel 36 van de WWB, verkeert hij niet in dezelfde omstandigheden als degenen die wel een zodanig inkomen hadden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6349 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 17 oktober 2012, 12/91 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Elburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 12/1394 WWB plaatsgevonden op

10 september 2013. Namens appellant is verschenen mr. Kaya. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.C. Treurniet. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, die al jaren een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening Jonggehandicapten (Wajong) ontvangt, heeft op 24 mei 2011 bij het college een langdurigheidstoeslag op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd.

1.2.

Bij besluit van 16 juni 2011 heeft het college de aanvraag van appellant om een langdurigheidstoeslag afgewezen, omdat appellant niet in de referte periode van 60 maanden ononderbroken een inkomen heeft ontvangen dat niet hoger is dan 100% van de voor hem geldende bijstandsnorm.

1.3.

Bij besluit van 1 december 2011 (bestreden besluit) heeft het college, beslissend op bezwaar, zijn besluit van 16 juni 2011 gehandhaafd.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft gesteld dat hij een laag inkomen in de zin van artikel 36 van de WWB ontvangt, nu hij reeds langer dan vijf jaar een Wajong-uitkering heeft ontvangen. De incidentele inkomsten doen daar volgens appellant niets aan af. Voorts ziet appellant zich vanwege een bezoeksregeling met zijn kinderen geconfronteerd met kosten die personen zonder kinderen niet hebben. Ten onrechte kijkt het college alleen naar het inkomen. Appellant meent dat hier sprake is van ongelijke behandeling, temeer nu het college de bijstandsnorm voor een alleenstaande hanteert, terwijl de kinderen vaak bij appellant verblijven.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WWB, zoals deze bepaling luidde tot

1 januari 2012, verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

4.1.2. In artikel 2, eerste lid, van de Verordening langdurigheidstoeslag van de gemeente Elburg is bepaald dat de belanghebbende die gedurende een onafgebroken periode van

60

maanden aangewezen is geweest op een inkomen dat niet hoger is dan 100% van de voor hem geldende norm en geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de WWB, onverlet het bepaalde in artikel 36 van de WWB in aanmerking komt voor de langdurigheidstoeslag.

4.2.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 36 van de WWB blijkt dat de langdurigheidstoeslag is bedoeld als een inkomensondersteuning voor personen die langdurig zijn aangewezen op een inkomen op minimumniveau en die een grote afstand hebben tot de arbeidsmarkt.

4.3.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2004:AY0262, geoordeeld dat voor de vraag hoe hoog het inkomen van een betrokkene in een referteperiode is geweest, als regel dient te worden uitgegaan van het netto inkomen zoals dat feitelijk in die periode is ontvangen.

4.4.

Niet in geschil is dat appellant in de referteperiode van 60 maanden een Wajong-uitkering heeft ontvangen van € 916,34 netto per maand, welk bedrag hoger is dan de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm. Evenmin is in geschil dat appellant in de referteperiode tweemaal incidentele inkomsten uit arbeid heeft ontvangen, ter hoogte van € 188,84 en

€ 663,28. Hiermee staat vast dat appellant ten tijde hier van belang niet heeft voldaan aan de in artikel 36 van de WWB gestelde voorwaarde. Dat appellant meent dat ten onrechte geen rekening wordt gehouden met de hogere kosten die hij heeft als gevolg van de omgangsregeling, maakt dat niet anders. Daarbij wordt nog gewezen op de tussen partijen gewezen uitspraak van de Raad van heden, 12/1394 WWB, waaruit blijkt dat appellant zijn kinderen om de drie weken bezoekt veelal in de directe nabijheid van zijn woonplaats alsmede dat de reiskosten die voor de kinderen in het kader van de omgangsregeling worden gemaakt voor rekening komen van de verzorgende ouder, in dit geval de ex-partner van appellant.

4.5.

Voor het recht op langdurigheidstoeslag is bepalend of in de referteperiode sprake was van een inkomen op minimumniveau. Daarbij is van geen enkel belang of de betrokkene in die periode te maken had met bijzondere noodzakelijke bestaanskosten. Nu appellant in de referteperiode een inkomen had dat hoger was het minimumniveau in de zin van artikel 36 van de WWB, verkeert hij niet in dezelfde omstandigheden als degenen die wel een zodanig inkomen hadden. Daarom is geen sprake van vergelijkbare gevallen en kan niet worden gezegd dat het college gelijke gevallen ongelijk behandelt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2013.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) I.J. Penning

HD