Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2191

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
25-10-2013
Zaaknummer
12-3064 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft in de resultaten van het onderzoek aanleiding gezien de bijstand van P over de periode in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van hem terug te vorderen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat P niet heeft gemeld dat hij en appellante een gezamenlijke huishouding in de woning van P voeren. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het rapport van de sociale recherche een toereikende grondslag biedt voor het standpunt van het college dat appellante en P in de te beoordelen periode hoofdverblijf in de woning van P hebben gehad. De onderzoeksbevindingen bieden eveneens een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat ook aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Uit het voorgaande volgt dat appellante en P in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Het college was bevoegd de over die periode gemaakte kosten van bijstand mede van appellante terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3064 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 april 2012, 11/3528 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te[woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Tracey hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Tracey en H.M.[P.]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.H. Vossebeld.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

H.M.[P.] ([P.]) ontvangt sinds 1 januari 1994 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).[P.] staat ingeschreven op het adres [adres 1] te[woonplaats] en appellante op het adres [adres 2] te [woonplaats].

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme schriftelijke mededeling over de woon- en leefsituatie van[P.] heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan[P.] verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, is een aantal waarnemingen verricht, heeft een buurtonderzoek in de omgeving van de woning van appellante plaatsgevonden en zijn[P.] en appellante verhoord. De bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche zijn neergelegd in een rapport van 19 januari 2011.

1.3.

Het college heeft in de resultaten van het onderzoek aanleiding gezien de bijstand van[P.] over de periode van 1 juli 2010 tot 1 januari 2011 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.559,83 van hem terug te vorderen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat[P.] niet heeft gemeld dat hij en appellante vanaf 1 juli 2010 een gezamenlijke huishouding in de woning van[P.] voeren.

1.4.

Bij besluit van 26 januari 2011 heeft het college dit bedrag mede teruggevorderd van appellante.

1.5.

Bij besluit van 26 september 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 januari 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 59, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de verplichtingen als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden.

4.2.

Voor de vaststelling dat, in dit geval, appellante die persoon is, is vereist dat zij in de in geding zijnde periode met[P.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt als gehuwd mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het derde lid van dat artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.

Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.4.

De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.5.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het rapport van de sociale recherche een toereikende grondslag biedt voor het standpunt van het college dat appellante en[P.] in de te beoordelen periode van 1 juli 2010 tot 1 januari 2011 hoofdverblijf in de woning van[P.] hebben gehad. Daarbij komt doorslaggevende betekenis toe aan de verklaringen die appellante en[P.], afzonderlijk van elkaar, tegenover de sociale recherche hebben afgelegd. Zo heeft[P.] op 11 januari 2011 verklaard dat appellante ongeveer vanaf juli 2010 bij hem is komen wonen. Hij heeft in het voorjaar van 2010 een nieuwe knie gekregen. Na het vertrek van de thuishulp is appellante hem gaan verzorgen voor zover dat mogelijk was. Appellante gaat volgens[P.] weer naar haar eigen woning als hij zichzelf weer helemaal kan redden. Deze verklaring komt geheel overeen met wat appellante op 12 januari 2011 heeft verklaard.

4.6.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars zorg voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het criterium van wederzijdse zorg in een concreet geval is voldaan.

4.7.

De onderzoeksbevindingen, waarvan in het bijzondere de onder 4.5 genoemde verklaringen die appellante en[P.] tegenover de sociale recherche hebben afgelegd, bieden eveneens een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat ook aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Zo heeft[P.] verklaard dat na het vertrek van de thuishulp appellante hem verzorgde en dat appellante voor hem kookte en bijvoorbeeld de was deed.[P.] maakte gebruik van de auto van appellante en als hij naar fysiotherapie ging dan bracht en haalde hij appellante naar en van haar werk.[P.] deed meestal de zware boodschappen en appellante de lichtere. Appellante heeft in soortgelijke zin verklaard.


4.8. Aan de ontkenning, dan wel nuancering van appellante van wat zij heeft verklaard komt geen betekenis toe. Immers, volgens vaste rechtspraak (CRvB 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juiste weergave van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan. Van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt is niet gebleken. Appellante is in een haar bekende omgeving, namelijk in de woning van[P.], verhoord. De eerst door de sociale recherche schriftelijk opgetekende verklaring van appellante is vrijwel woordelijk overgenomen in de uitgetypte versie. Dat er in de handgeschreven versie van de verklaring door de sociale recherche tekst zou zijn toegevoegd - zoals appellante heeft gesteld - is niet gebleken. Bovendien is aan appellante de getypte versie voorgelezen en is deze zonder enig voorbehoud door haar ondertekend. Daarom bestaat geen grond om appellante niet aan haar verklaring te houden.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat appellante en[P.] in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Nu gelet op de gedingstukken verder vaststaat dat verlening van bijstand als gezinsbijstand over deze periode - niettemin - achterwege is gebleven omdat[P.] zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Het college was derhalve bevoegd de over die periode gemaakte kosten van bijstand mede van appellante terug te vorderen.

4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2013.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) I.J. Penning

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding

HD