Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2186

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2013
Datum publicatie
25-10-2013
Zaaknummer
13-1041 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief heeft appellant verzocht om vergoeding van alle schade ten gevolge van de ongevallen die hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft opgelopen. Bij besluit heeft de minister dit verzoek met een beroep op verjaring afgewezen. Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan gezegd moet worden dat de minister rechtens gehouden was om van het beroep op verjaring af te zien. Onbekendheid met de verjaringsregels kan niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. De minister heeft het verzoek van appellant dus terecht met een beroep op verjaring afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/48

Uitspraak

13/1041 AW

Datum uitspraak: 24 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

14 januari 2013, 10/1710 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de gedingen 12/4260 AW en 12/6671 AW, plaatsgehad op 1 augustus 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. C. van der Steen en F.A.M.H. Severijnen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.B. van den Elsaker, M.G. van den Broek en M.A.R. Zikken.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als groepsleider/sportinstructeur, laatstelijk bij de penitentiaire inrichting [naam regio]. Op 13 oktober 1992 en op 4 juli 1997 heeft appellant tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden letsel opgelopen. De minister heeft beide incidenten aangemerkt als dienstongevallen.

1.2. Bij brief van 28 september 2005 heeft appellant verzocht om vergoeding van alle schade ten gevolge van de onder 1.1 genoemde ongevallen.

1.3. Bij besluit van 18 juni 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 maart 2010 (bestreden besluit), heeft de minister dit verzoek met een beroep op verjaring afgewezen.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard en het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van appellant om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

2.2. De rechtbank heeft daartoe, samengevat en voor zover hier van belang, overwogen dat appellant vrijwel direct na beide ongevallen in actie had kunnen komen teneinde zijn financiële aanspraken veilig te stellen. Appellant had de minister daarom, wat betreft het ongeval in 1992 uiterlijk op 13 oktober 1997, en wat betreft het ongeval in 1997 uiterlijk op 29 juli (lees: 4 juli) 2002 aansprakelijk moeten stellen. Daarvan is echter niet gebleken. In het op verzoek van de rechtbank door de minister ingezonden volledige dossier van appellant bevindt zich geen geschrift waarin appellant de minister aansprakelijk stelt voor de financiële gevolgen van de hem overkomen dienstongevallen. Met de door appellant bij brief van 24 juni 2012 overgelegde brief van 9 januari 1998 heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij de minister tijdig aansprakelijk heeft gesteld voor de geleden en de nog te lijden schade als gevolg van het ongeval in 1997. In het midden kan worden gelaten of de wijze waarop deze brief pas nu boven water is gekomen, geloofwaardig is te achten. In elk geval is niet aangetoond, bijvoorbeeld aan de hand van een bewijs van aangetekende verzending, dat deze brief daadwerkelijk naar de minister is verstuurd. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het onredelijk zou zijn aan appellant de verjaring tegen te werpen.

3.1. Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep van appellant ongegrond is verklaard. Appellant heeft met name betoogd dat hij de brief van 9 januari 1998 wel degelijk ter kennis heeft gebracht van de minister.

3.2. De minister heeft in het verweerschrift primair staande gehouden dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de minister in 1998 per brief aansprakelijk heeft gesteld voor de schade, voortvloeiend uit de onder 1.1 genoemde dienstongevallen. Ter zitting heeft de minister zich subsidiair op het standpunt gesteld dat, zo al moet worden aangenomen dat appellant dit wel heeft gedaan, niettemin sprake is van verjaring. Ook de in dat geval aangevangen nieuwe termijn van vijf jaren is verstreken, aldus de minister.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad zijn financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer in rechte afdwingbaar. De aanvang van deze verjaringstermijn ligt bij het moment waarop degene die meent schade te lijden met betrekking tot deze schade in actie had kunnen komen (CRvB 28 februari 2013, LJN BZ2675). De rechtszekerheid staat er niet aan in de weg dat de ambtenaar die zo'n aanspraak meent te hebben daarvan, vóór het verstrijken van de termijn, tegenover het betrokken bestuursorgaan doet blijken op zodanige wijze dat de lopende termijn wordt afgebroken en een nieuwe termijn van vijf jaren begint (CRvB 23 augustus 2007,

LJN BB2371).

4.2.

Ook in hoger beroep is niet gebleken dat appellant binnen de termijn van vijf jaar na het ongeval van 13 oktober 1992 met betrekking tot de - beweerdelijk - daardoor geleden schade actie heeft ondernomen.

4.3.

In de brief van 9 januari 1998, met als onderwerp: “Aansprakelijkheidsstelling v/h arbeidsongeval […] daterende 4 juli 1997 […]”, heeft appellant de directie van de penitentiaire inrichting [naam regio] aansprakelijk gesteld voor de geleden en de nog te lijden schade als gevolg van het hem in 1997 overkomen ongeval. Appellant heeft de directie daarbij verzocht hem binnen veertien dagen opheldering te verschaffen over de wijze waarop een en ander zou worden afgehandeld.

4.4.

Ervan uitgaande dat de lopende verjaringstermijn met de brief van 9 januari 1998 zou zijn gestuit en dat aldus een nieuwe termijn van vijf jaren was aangevangen, moet worden vastgesteld dat ook deze nieuwe verjaringstermijn is verstreken. Appellant heeft in de periode tussen 9 januari 1998 en september 2005 immers geen enkele actie meer ondernomen en heeft er aldus tot september 2005 in berust dat de minister met de brief van 9 januari 1998 niets heeft gedaan. Gelet hierop kan het horen van de door appellant genoemde getuige niet verder aan de beoordeling van de zaak bijdragen. Het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen.

4.5.

Pas in september 2005 heeft appellant zich gewend tot de minister met het onder 1.2 vermelde verzoek. Niet is in te zien dat appellant niet (veel) eerder actie had kunnen ondernemen. Daarbij is van belang dat appellant blijkens de gedingstukken vrijwel direct na de onder 1.1 genoemde ongevallen heeft doen blijken dat hij inzicht had in de situatie waarin hij verkeerde en dat hij verband legde tussen die situatie en de feiten en omstandigheden waarop hij het onderhavige verzoek om schadevergoeding heeft gebaseerd.

4.6.

Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan gezegd moet worden dat de minister rechtens gehouden was om van het beroep op verjaring af te zien. Onbekendheid met de verjaringsregels kan niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt (vergelijk de uitspraak van de Raad van 2 oktober 2008, LJN BF5718). De minister heeft het verzoek van appellant - wat daarvan verder zij - dus terecht met een beroep op verjaring afgewezen.

4.7.

Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) P.J.M. Crombach

HD