Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2175

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2013
Datum publicatie
28-10-2013
Zaaknummer
12-1890 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, terugvordering en beëindiging WW-uitkering. Boete. Detentie en verblijf in buitenland. Geen herleving van WW-uitkering.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/381
RSV 2014/145

Uitspraak

12/1890 WW

Datum uitspraak: 11 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

20 februari 2012, 11/2045 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats](appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2013. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. T.A. Put.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, die een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving, heeft het Uwv gemeld dat hij van 8 februari 2010 tot en met 28 februari 2010 met vakantie in Marokko zou verblijven, waarna het Uwv hem heeft bericht dat hij over deze periode recht heeft op vakantie met behoud van de WW-uitkering. Nadien heeft het Uwv van de bewindvoerder van appellant vernomen dat appellant eerst medio november 2010 in Nederland is teruggekeerd en in de periode vanaf 8 februari 2010 gedetineerd is geweest. Vervolgens heeft de bewindvoerder het Uwv op 29 december 2010 enkele documenten betreffende de detentie gezonden, waaruit valt af te leiden dat appellant op 25 april 2010 in Tanger is opgepakt en in detentie is geplaatst, terwijl op of omstreeks 23 augustus van dat jaar een verzoek tot opheffing van de detentie is ingediend. Het Uwv heeft bij besluit van

20 januari 2011 appellant medegedeeld dat hij per 1 maart 2010 in het buitenland heeft verbleven anders dan wegens vakantie, in verband waarmee zijn WW- uitkering per

1 maart 2010 wordt herzien. Tevens wordt de ten onrechte betaalde WW- uitkering over de periode van 1 maart tot en met 7 november 2010 van hem teruggevorderd. Omdat appellant geen (tijdige) mededeling heeft gedaan van zijn verblijf in het buitenland per 1 maart 2010, is hem bij besluit van 9 februari 2011 een boete opgelegd van € 370,-. Tevens is appellant bij brief van 14 januari 2011 medegedeeld dat, nu is gebleken dat hij sedert

1 maart 2010 in het buitenland verbleef, zijn recht op uitkering is geëindigd en dat hij alleen recht op herleving van zijn WW- uitkering zou hebben bij terugkeer voor 1 september 2010.

1.2. Namens appellant is met name bezwaar gemaakt tegen het niet laten herleven van zijn recht op WW-uitkering alsmede tegen de boete. Daartoe heeft hij aangevoerd dat zijn vrouw in Marokko is bevallen, maar het kind is overleden en dat toen de medische situatie van zijn vrouw stabiel bleek, hij op 25 april 2010 naar Nederland wilde terugkeren, maar dat hij in de haven van Tanger is opgepakt (in verband met een kwestie rond de verkoop van een auto), waarna hij weliswaar weer is vrijgelaten, maar niet eerder dan op 1 oktober 2010 van de autoriteiten toestemming kreeg om Marokko te verlaten. Hij is derhalve geheel buiten zijn schuld zo lang in het buitenland gebleven.

1.3. Bij besluit van 10 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat ingevolge artikel 19, eerste lid, onder e in verbinding met artikel 20, eerste lid, onder d van de WW het recht op uitkering van een werknemer die in het buitenland verblijft anders dan wegens vakantie, eindigt; een recht dat is geëindigd kan herleven, maar ingevolge artikel 21, derde lid, van de WW is dit in de situatie van appellant slechts mogelijk bij terugkeer in Nederland binnen zes maanden na vertrek en daarvan is geen sprake. Dat de late terugkeer wellicht niet aan appellant is te wijten is niet relevant, want het gaat alleen om de feitelijke situatie van het langer dan zes maanden in het buitenland verblijven.

2.1. Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is in de eerste plaats aangevoerd dat het niet laten herleven van het recht op uitkering in strijd is met artikel 34 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Tevens heeft hij er (nogmaals) op gewezen dat er met betrekking tot de late terugkeer sprake was van een situatie van overmacht. Ten slotte heeft appellant verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de schade, bestaande uit de wettelijke rente over de werkloosheidsuitkering waarop hij recht meent te hebben.

2.2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank - na vastgesteld te hebben dat het beroep alleen het niet herleven van het recht op uitkering betreft, terwijl niet in geschil is dat appellant eerst in oktober 2010 in Nederland is teruggekeerd - erop gewezen dat artikel 51 van het Handvest het toepassingsbereik ervan afbakent. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat het Handvest zich richt tot instellingen en organen van de Unie en tot de lidstaten, uitsluitend voor zover deze het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Daarvan is in deze situatie volgens de rechtbank geen sprake. Met betrekking tot het beroep op overmacht heeft de rechtbank overwogen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad het bij artikel 21, derde lid, van de WW gaat om een dwingendrechtelijke bepaling, zodat de omstandigheid dat appellant geen verwijt zou treffen, niet relevant is.

3.

In hoger beroep heeft appellant het beroep op het Handvest en op overmacht met betrekking tot de late terugkomst in Nederland herhaald.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

De Raad stelt vast dat ook het hoger beroep alleen de toepassing van artikel 21, derde lid, van de WW betreft.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hier geen sprake is van het ten uitvoer brengen van enige bepaling van het Unierecht; de rechtbank ziet er dusdoende aan voorbij dat er in zijn situatie (voldoende) aanknopingspunten zijn met een van de belangrijkste basisvrijheden van het Unierecht, namelijk het vrij verkeer van werknemers. Echter, de door de rechtsorde van de Unie, inclusief het Handvest, gewaarborgde grondrechten kunnen toepassing vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst, maar niet daarbuiten (Hof van Justitie van de Europese Unie 13 juni 2013, Hadje Ahmed, C-45/12). Geconstateerd moet worden dat appellant niet heeft aangegeven dat hij EU-onderaan is of daaraan kan worden gelijkgesteld en evenmin zijn stelling met betrekking tot het vrij verkeer van werknemers - nu het immers slechts gaat om vertrek vanuit Nederland naar Marokko - nader heeft onderbouwd. Er zijn derhalve geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid, dat in de hier in geding zijnde situatie sprake is van aanknopingspunten met het Unierecht. Het beroep van appellant op artikel 34, eerste lid en artikel 51 van het Handvest moet dan ook falen.

4.4.

Met betrekking tot de stelling van appellant, dat hij in het geheel geen schuld heeft aan de te late terugkeer, wijst de Raad op zijn vaste rechtspraak op dit punt: bij de toepassing van artikel 21, derde lid, van de WW komt de vraag of de betrokkene een verwijt treft met betrekking tot het- in dit geval- langer dan zes maanden wegblijven, niet aan de orde; verwezen zij naar de uitspraken van 22 december 1998, ECLI:NL:CRvB:1998:AG8585 en

19 november 2008, ECLI:NL:CRvB:2008:BG6259.

4.5.

Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Het verzoek om schadevergoeding dient derhalve te worden afgewezen.

5.

Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en R.E. Bakker en J. Riphagen als leden in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2013.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) Z. Karekezi

CVG