Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2170

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
24-10-2013
Zaaknummer
12-412 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij een door het Uwv op 15 januari 2009 ontvangen brief heeft appellante verzocht terug te komen van de intrekking van haar uitkering per 10 september 2004. Bij besluit van 26 januari 2011 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld, in overeenstemming met een rapport van de bezwaarverzekeringsarts, dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Uit de beschikbare medische gegevens blijkt niet dat de verzekeringsartsen destijds bij de intrekking van de uitkering van te weinig of onjuiste beperkingen zijn uitgegaan. Het Uwv is bevoegd geweest het verzoek van appellante af te wijzen onder verwijzing naar het besluit vanwege het ontbreken van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden. Er bestaat geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het Uwv van die bevoegdheid niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Met betrekking tot het beroep van appellante op artikel 6 van het EVRM wordt overwogen dat van schending van dit artikel niet is gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/412 WAO

Datum uitspraak: 23 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

8 december 2011, 11/2694 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te[woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2013. Namens appellante is mr. Van den Berg verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als telefoniste/receptioniste. In september 1999 is zij voor dit werk uitgevallen als gevolg van de ziekte van Pfeiffer. Na het volbrengen van de wettelijke wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 9 september 2001 is deze uitkering herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 9 juli 2004 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat haar uitkering met ingang van 10 september 2004 wordt ingetrokken omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het door appellante tegen dat besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 12 november 2004 ongegrond verklaard. Het door appellante tegen dat besluit ingestelde beroep is door de rechtbank Utrecht bij uitspraak van 24 oktober 2005 gegrond verklaard. Tevens heeft de rechtbank bij deze uitspraak het besluit van 12 november 2004 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Bij besluit van 11 april 2006 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarbij is het bezwaar andermaal ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 10 september 2004 gehandhaafd.

1.2. Bij een door het Uwv op 15 januari 2009 ontvangen brief heeft appellante verzocht terug te komen van de intrekking van haar uitkering per 10 september 2004.

1.3. Bij besluit van 26 januari 2011 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Het door appellante tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 juli 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld, in overeenstemming met een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 18 juli 2011, dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.

Evenals in bezwaar heeft appellante in beroep naar voren gebracht dat na een kanteltafeltest bij haar in 2009 de diagnose Postural Orthostatic Tachycardia Syndrome (POTS) is vastgesteld. Zij vindt dat deze omstandigheid door het Uwv ten onrechte niet als een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb is aangemerkt en dat haar verzoek om terug te komen van de intrekking van haar WAO-uitkering dan ook ten onrechte is afgewezen.

3.

Bij de aangevallen uitspraak de rechtbank heeft het door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat er geen sprake is van feiten en veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Voorts is overwogen dat zelfs indien er wel sprake zou zijn geweest van POTS bij appellante ten tijde van de intrekking van de uitkering, daarmee nog geen nieuwe feiten en veranderde omstandigheden zijn gegeven in het licht van de weigering van appellante om destijds naar het spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts te komen.

4.

In hoger beroep heeft appellante haar in beroep aangevoerde gronden herhaald. Voorts heeft appellante met een beroep op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gesteld dat de rechtbank haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij destijds niet op het spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts is verschenen. Voorts heeft appellante in hoger beroep nadere medische gegevens ingebracht, waarop de bezwaarverzeringsarts heeft gereageerd met een rapport van 30 augustus 2013.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere beoordeling, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuurechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

5.2.

Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat de bij haar vastgestelde diagnose POTS voor het Uwv aanleiding had moeten vormen om terug te komen van de intrekking van haar uitkering in 2004. Daartoe wordt overwogen dat deze diagnose bij haar is vastgesteld in 2009 en dat niet gebleken is dat daar in 2004 ten tijde van de intrekking van haar uitkering ook reeds sprake van was. Voorts wordt overwogen, voor zover ten tijde van de intrekking van de uitkering in 2004 wel reeds sprake zou zijn geweest van POTS, het bij de vraag naar de aanwezigheid en de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO niet zo zeer gaat om de gestelde diagnose, als wel om de in aanmerking genomen beperkingen. Daarbij geldt dat aan een andere diagnose ter verklaring van de klachten niet zonder meer kan worden ontleend dat er meer of andere beperkingen in aanmerking hadden dienen te worden genomen. Ook in dit geval blijkt niet uit de beschikbare medische gegevens dat de verzekeringsartsen destijds bij de intrekking van de uitkering van te weinig of onjuiste beperkingen zijn uitgegaan. Het Uwv is derhalve bevoegd geweest het verzoek van appellante af te wijzen onder verwijzing naar het besluit 9 juli 2004 vanwege het ontbreken van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden. Er bestaat geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het Uwv van die bevoegdheid niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

5.3.

Met betrekking tot het beroep van appellante op artikel 6 van het EVRM wordt overwogen dat van schending van dit artikel niet is gebleken. Nu appellante destijds geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 11 april 2006, is dit besluit in rechte vast komen te staan en kunnen tegen de totstandkoming van dat besluit geen gronden meer worden aangevoerd.

5.4.

Uit hetgeen is overwogen in 5.1 tot en met 5.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) A.C. Oomkens

IvR