Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2166

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
24-10-2013
Zaaknummer
12-3467 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft bij besluit vastgesteld dat voor appellant geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De stelling van appellant dat geen informatie is opgevraagd bij de behandelend sector wordt niet onderschreven. Ook anderszins kan het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest niet voor onjuist worden gehouden. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank eveneens terecht geoordeeld dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant, gelet op de aan deze functies verbonden belastende factoren. Met het (aanvullende) rapport van de arbeidsdeskundige is dit inzichtelijk en overtuigend toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3467 WIA

Datum uitspraak: 23 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

23 april 2012, 11/1422 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2013. Beide partijen zijn niet verschenen, het Uwv met voorafgaande kennisgeving.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als machineoperator. Op 20 april 2009 is hij voor dit werk uitgevallen vanwege knie- en psychische klachten. Na het volbrengen van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Nadat een verzekeringsarts appellant had onderzocht, is hij in zijn rapport van 20 mei 2011 tot de conclusie gekomen dat appellant als gevolg van zijn fysieke klachten (knieklachten) en psychische klachten beperkingen heeft. Deze beperkingen heeft deze arts weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Vervolgens is een arbeidsdeskundige in zijn rapport van 17 juni 2011 tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk, maar nog wel geschikt voor een zevental andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op minder dan 35%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 20 juni 2011 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 18 april 2011 geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich in zijn rapport van 18 augustus 2011 kunnen verenigen met de voor appellant vastgestelde FML. De omstandigheid dat appellant op de wachtlijst staat voor opname is voor de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding geweest appellant op medische gronden volledig arbeidsongeschikt te achten. Bij besluit van

9 september 2011 (bestreden besluit) wordt het bezwaar ongegrond verklaard.

2.

Het door appellant tegen dat besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het door het Uwv ingestelde medische onderzoek zorgvuldig is geweest en dat de voor appellant vastgestelde FML niet voor onjuist kan worden gehouden. Appellant wordt geschikt geacht voor de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies, op basis waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is berekend op minder dan 35%.

3.

In hoger beroep heeft appellant verwezen naar de gronden die hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd en gesteld dat de verzekeringsartsen ten onrechte geen informatie bij de behandelende artsen hebben opgevraagd. Voorts heeft hij gesteld dat hij als gevolg van zijn forse alcoholproblematiek en zijn knieklachten meer beperkingen heeft dan in de FML zijn vastgesteld. Om die reden vindt hij de voor hem geduide functies ook niet geschikt.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uit de gedingstukken blijkt dat de verzekeringsarts informatie heeft ingewonnen bij de behandelend arts van de GGZ Verslavingszorg. Weliswaar is deze informatie pas na het primaire besluit door het Uwv ontvangen, maar de bezwaarverzekeringsarts heeft bij zijn beoordeling wel de beschikking gehad over deze informatie. De stelling van appellant dat geen informatie is opgevraagd bij de behandelend sector wordt dan ook niet onderschreven. Ook anderszins kan het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest niet voor onjuist worden gehouden. Niet is gebleken dat de klachten van appellant zijn onderschat dan wel onjuist zijn geïnterpreteerd en evenmin dat de informatie uit de behandelend sector in de omschrijving van de medische beperkingen en mogelijkheden onjuist zou zijn uitgelegd. Appellant heeft geen andersluidende informatie overgelegd of op enige andere wijze aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van zijn knieklachten en alcoholproblematiek meer beperkingen heeft dan zijn aangenomen. Daarbij is in overweging genomen dat uit de beschikbare medische informatie niet blijkt dat appellant ten tijde hier van belang vanwege zijn alcoholproblematiek in een kliniek opgenomen is geweest.

4.2.

Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank eveneens terecht geoordeeld dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant, gelet op de aan deze functies verbonden belastende factoren. Met het (aanvullende) rapport van de arbeidsdeskundige van 6 september 2011 is dit inzichtelijk en overtuigend toegelicht.

4.3.

Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding zal worden afgewezen.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) A.C. Oomkens

JvC