Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2164

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
24-10-2013
Zaaknummer
11-6070 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aangevallen uitspraak 1: In dit geding ligt voor de vraag of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat er per april 2004 geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Aangevallen uitspraak 2: In dit geding ligt voor de vraag of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat er eerst per 1 februari 2011 sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten. De Raad beantwoordt ook deze vraag bevestigend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6070 WAO, 13/1113 WAO

Datum uitspraak: 23 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Middelburg van

29 september 2011, 11/347 (aangevallen uitspraak 1) en van de rechtbank

Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2013, 11/4641 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.A.M. te Braake, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraken 1 en 2.

Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting op 11 september 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Te Braake. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant was laatstelijk via een uitzendbureau werkzaam als meewerkend voorman in een sorteerhal, toen hij zich op 11 november 2002 ziek meldde in verband met rug- en nekklachten. Bij besluit van 7 oktober 2003 is appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per einde wachttijd geweigerd, omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Het Uwv heeft aan appellant - na een (hoger) beroepsprocedure - bij besluit op bezwaar van 4 juni 2010 met ingang van 5 november 2003 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2.1.

Op 7 september 2010 heeft appellant zich per april 2004 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld als bedoeld in artikel 39a van de WAO. Na medisch onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 13 december 2010 de WAO-uitkering van appellant ongewijzigd vastgesteld.

2.2.

Bij besluit van 18 april 2011 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 december 2010 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 14 april 2011 ten grondslag.

3.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de door de artsen van het Uwv ingestelde onderzoeken niet voldoende zorgvuldig waren en/of de daarop gebaseerde conclusies onjuist waren. Niet gebleken is dat met de informatie van de behandelend sector onvoldoende rekening is gehouden. Uit de door appellant overgelegde medische gegevens blijkt niet dat sprake is van een toename van beperkingen per april 2004, voortvloeiende uit de reeds bestaande rug- en/of nekklachten. Ook uit de brief van 12 juni 2006 van neuroloog J. Koeman valt, naar het oordeel van de rechtbank, niets anders af te leiden. De gemachtigde van appellant heeft voorts ter zitting evenmin nader kunnen onderbouwen hoe uit de overgelegde stukken blijkt dat sprake is van een toename van beperkingen - samenhangend met nek- en rugklachten - per april 2004. De overige door appellant gestelde klachten kunnen op grond van artikel 39a van de WAO niet leiden tot herziening van de uitkering. Voorts heeft de rechtbank onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (waaronder de uitspraak van 10 oktober 2003, LJN AN7545) overwogen dat aan een arbeidskundige beoordeling niet wordt toegekomen, indien geen sprake is van een toename van de medische beperkingen die ten grondslag liggen aan de reeds toegekende uitkering.
4.1. In november 2011 heeft appellant zich met ingang van 27 oktober 2010 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld als bedoeld in artikel 39a van de WAO. Na medisch onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 24 april 2012 aan appellant meegedeeld dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per 1 februari 2011 is toegenomen. Appellant voldoet echter niet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een herziening van zijn uitkering nadat de toegenomen arbeidsongeschiktheid vier weken heeft geduurd, omdat het moment van toename van de arbeidsongeschiktheid niet is gelegen binnen vijf jaar na de datum van de toekenning of herziening van de WAO uitkering.

4.2.

Bij besluit van 7 augustus 2012 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 april 2012 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 3 augustus 2012 ten grondslag.

5.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Met name blijkt uit de rapporten van de verzekeringsartsen dat zij op de hoogte waren van de door appellant geclaimde toename van zijn arbeidsongeschiktheid als gevolg van rug- en nekklachten. De verzekeringsartsen zijn ook uitgegaan van een toename. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen, mede gelet op de datum van de bevindingen van Koeman, in redelijkheid de datum van die toename kunnen vaststellen op 1 februari 2011. Afgezien van het feit dat de beoordeling zich naar het oordeel van de rechtbank niet kan uitstrekken over de periode voor april 2004, dit gezien de eerdere uitspraak van de rechtbank Middelburg van 29 september 2011, zijn er voor aanname van een toename van de arbeidsongeschiktheid op een datum gelegen tussen april 2004 en 5 november 2008 geen concrete aanwijzingen.


6.1. In hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 heeft appellant de gronden van het beroep in essentie herhaald. Volgens appellant is ten onrechte geconcludeerd dat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid en/of toegenomen klachten van zijn nek en rug. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant medische informatie overgelegd van de neuroloog en van de huisarts.

6.2.

In hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 heeft appellant eveneens in essentie de gronden van het beroep herhaald. Appellant is van mening dat de toename van klachten een geleidelijk proces is geweest. Dat deze uiteindelijk zijn vastgesteld in 2011 zegt nog niets over de mate waarin de klachten zijn toegenomen in de periode van vijf jaar na 5 november 2003. Voorts is appellant van mening dat er een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld had moeten worden en daarnaast een nieuwe beoordeling door een arbeidsdeskundige had dienen plaats te vinden. Gelet op het feit dat er een arbitraire datum voor de toename van de klachten is vastgesteld en dat hij deze datum betwist, zou er aanleiding moeten zijn om een deskundige te benoemen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant diverse medische gegevens in het geding gebracht.


7. De Raad komt ten aanzien van het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 tot de volgende beoordeling.

7.1.

In dit geding ligt voor de vraag of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat er per april 2004 geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten.

7.2.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en kan zich geheel vinden in de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak tot dit oordeel hebben geleid en maakt deze tot de zijne.


7.3. De in hoger beroep overgelegde medische gegevens stonden reeds ten tijde van de bezwaarprocedure ter beschikking van de bezwaarverzekeringsarts en zijn, zo blijkt ook uit het rapport van 14 april 2011, bij de beoordeling van appellants beperkingen per april 2004 betrokken. Ook de nieuwe verklaring van de huisarts van 1 november 2011 bevat geen nieuwe gegevens, omdat deze gebaseerd is op de reeds bekende informatie van de neuroloog. De bezwaarverzekeringsarts heeft overtuigend en inzichtelijk gerapporteerd dat er geen sprake is van een toename van beperkingen uit dezelfde oorzaak.


7.4. Nu er geen sprake is van toegenomen medische beperkingen, is door de rechtbank terecht geoordeeld dat een arbeidskundige beoordeling niet meer aan de orde is.

7.5.

Uit hetgeen onder 7.1 tot en met 7.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat aangevallen uitspraak 1 dient te worden bevestigd.

8.

De Raad komt ten aanzien van het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 tot de volgende beoordeling.

8.1.

In dit geding ligt voor de vraag of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat er eerst per 1 februari 2011 sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten.

8.2.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en kan zich geheel vinden in de overwegingen die de rechtbank in aangevallen uitspraak 2 tot dit oordeel hebben geleid en maakt deze tot de zijne.


8.3. Nu er geen sprake is van toegenomen medische beperkingen binnen vijf jaar na toekenning van de WAO-uitkering en appellant nog niet de wachttijd van 104 weken doorlopen heeft, is er voor het Uwv (nog) geen aanleiding aanwezig voor het opstellen van een FML en het laten verrichten van een arbeidskundige beoordeling. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad evenmin aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

8.4.

Uit hetgeen onder 8.1 tot en met 8.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat aangevallen uitspraak 2 eveneens dient te worden bevestigd.


9. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt aangevallen uitspraken 1 en 2.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) A.C. Oomkens

HD