Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2154

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
24-10-2013
Zaaknummer
12-2878 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft bedrijfskapitaal en bijstand voor levensonderhoud krachtens Bbz 2004 aangevraagd. Bij besluit heeft het dagelijks bestuur de aanvraag afgewezen op de grond dat wordt verwacht dat appellant na de verlening van bijstand niet een inkomen kan realiseren dat toereikend is voor de voortzetting van zijn bedrijf en de voorziening in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Het uitgebrachte IMK rapport getuigt van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Ook anderszins zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven het rapport niet te volgen. De Raad stelt vast dat het dagelijks bestuur de wettelijke termijn voor de behandeling van de Bbz-aanvraag van appellant niet heeft overschreden. Tussen partijen - en ook voor de Raad - staat vast dat de termijn van de behandeling van het bezwaar tegen de afwijzende beslissing op de aanvraag wel is overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2878 BBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 11 april 2012, 11/342 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van het Intergemeentelijk Samenwerkingsverband Werk en Inkomen (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2013. Appellant is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door J.B.L. Wissink.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden en voor het wettelijk kader van deze zaak verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1.

Appellant heeft op 5 juni 2010 bedrijfskapitaal en bijstand voor levensonderhoud krachtens het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) aangevraagd. Het dagelijks bestuur heeft de aanvraag om advies voorgelegd aan het Instituut voor het

Midden- en Kleinbedrijf (IMK). Het IMK heeft op 16 augustus 2010 geadviseerd de aanvraag af te wijzen op de grond dat de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant - de productie en de verkoop van een gemodificeerde computermuis - onvoldoende is te onderbouwen.

1.2.

Bij besluit van 26 augustus 2010 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag afgewezen op de grond dat wordt verwacht dat appellant na de verlening van bijstand niet een inkomen kan realiseren dat toereikend is voor de voortzetting van zijn bedrijf en de voorziening in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten.

1.3.

Bij besluit van 8 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 26 augustus 2010 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft in de eerste plaats naar voren gebracht dat overduidelijk is dat het dagelijks bestuur niet wil dat zich met behulp van het Bbz 2004 nieuwe bedrijven vestigen in Aalten en dat het dagelijks bestuur daarom een schijnprocedure heeft gevolgd. Voor dat standpunt zijn in de gedingstukken geen aanknopingspunten te vinden. Ter zitting is vanwege het dagelijks bestuur uitdrukkelijk tegengesproken dat het bestuur van de voor de uitvoering van (met name) de Wet werk en bijstand tot stand gebrachte gemeenschappelijke regeling een rol speelt bij de vestiging van bedrijven in de gemeente Aalten. De aanvraag van appellant is, zoals bij de Intergemeentelijk Samenwerkingsverband Werk en Inkomen gebruikelijk is bij een aanvraag als hier aan de orde, aan een externe adviseur voorgelegd.

4.2.

Een bijstandverlenend orgaan is in zaken als hier aan de orde gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op concrete adviezen van deskundige instanties als het IMK. In dit geval is geen situatie aanwezig waarin die regel niet zou opgaan. De door de deskundige gebezigde motivering is overtuigend. Het uitgebrachte rapport getuigt van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Het IMK heeft een uitgebreid advies uitgebracht, waarin is ingegaan op het ondernemerschap van appellant en waarin een commerciële analyse en een financiële analyse van het bedrijf zijn neergelegd. Ook anderszins zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven het rapport niet te volgen.

4.2.1.

Appellant heeft betoogd dat zijn bedrijf wel degelijk levensvatbaar is. Louter eigen verwachtingen van de betrokkene omtrent de te behalen omzet en daarmee de levensvatbaarheid van het bedrijf vormen echter onvoldoende basis voor het toekennen van algemene bijstand of bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. Appellant heeft zijn standpunt dat zijn bedrijf wel levensvatbaar is niet met objectieve gegevens, zoals een reëel klantenpotentieel of een deskundig tegenrapport, onderbouwd. De in hoger beroep door appellant overgelegde stukken, waarin een goede beoordeling van zijn product door enkele gebruikers is neergelegd, zijn daarvoor op zichzelf onvoldoende. Daarmee is immers nog onvoldoende gezegd over de afzetbaarheid van het product en over een omzet in een zodanige mate dat appellant daaruit een inkomen kan realiseren dat toereikend is voor de voortzetting van zijn bedrijf en de voorziening in zijn algemeen noodzakelijke bestaanskosten.

4.2.2.

Appellant stelt verder dat de rechtbank zich eenzijdig achter het standpunt van het dagelijks bestuur heeft gesteld en niet is ingegaan op de vele bezwaren die hij naar voren heeft gebracht tegen het advies van het IMK. Deze stelling treft geen doel. De rechtbank heeft op bladzijde 4, bovenaan, van de aangevallen uitspraak gemotiveerd waarom het dagelijks bestuur kan worden gevolgd in zijn standpunt dat er geen reden was om het advies van het IMK niet te volgen. Daarbij zijn onder meer genoemd het ontbreken van inzicht in concrete afzetmogelijkheden en de schuldenlast van appellant die een bedreiging vormt voor de continuïteit van het bedrijf.

4.3.

Dat, zoals appellant heeft opgemerkt, zijn bedrijf naderhand in de gemeente [naam gemeente] wel als levensvatbaar is beschouwd en dat hij die gemeente met behulp van een Bbz-uitkering met zijn bedrijf kon starten, doet aan het voorgaande niet af. De Wet werk en bijstand en het Bbz 2004 voorzien in een gedecentraliseerde uitvoering, waardoor per gemeente verschillen kunnen ontstaan in de praktijk van de toepassing van deze regelingen.

4.4.

Appellant heeft evenals in beroep geklaagd over de lange duur van behandeling van zijn aanvraag en zijn bezwaar tegen de afwijzing. De Raad stelt vast dat het dagelijks bestuur de wettelijke termijn voor de behandeling van de Bbz-aanvraag van appellant niet heeft overschreden. Tussen partijen - en ook voor de Raad - staat vast dat de termijn van de behandeling van het bezwaar tegen de afwijzende beslissing op de aanvraag wel is overschreden. De Algemene wet bestuursrecht verbindt aan die overschrijding geen rechtstreekse gevolgen. Voor de betrokkene staat wel de mogelijkheid open om het bestuursorgaan in gebreke te stellen, wat kan leiden tot verschuldigdheid van het bestuursorgaan tot betaling van een dwangsom. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat een dwangsom niet aan de orde is omdat appellant het dagelijks bestuur niet in gebreke heeft gesteld.

4.5.

In verband met het voorgaande heeft appellant nog aangevoerd dat hij tijdens de hoorzitting over zijn bezwaren op het verkeerde been is gezet, in die zin dat toen is meegedeeld dat hij onder voortzetting van de opbouw van zijn bedrijf wel in aanmerking zou kunnen komen voor gewone bijstand voor levensonderhoud, maar dat dat standpunt in het bestreden besluit weer is verlaten. Dit heeft tevens met zich gebracht dat hij over een lange tijd geen periodiek regulier inkomen heeft ontvangen. Het verslag van de hoorzitting is op dit onderdeel volgens appellant vervalst. Appellant wordt hierin niet gevolgd. De combinatie van gewone, algemene bijstand en de voortzetting van het bedrijf zijn tijdens de hoorzitting besproken, maar daarbij is aan appellant, zoals hij ter zitting van de Raad heeft erkend, geen toezegging op dit punt gedaan. In het verweerschrift in eerste aanleg is het dagelijks bestuur daarop nog ingegaan, waarnaar kortheidshalve wordt verwezen. In het hier aan de orde zijnde geval doet de daar omschreven situatie, te weten die waarin de (gewone) bijstandsgerechtigde marginale zelfstandige activiteiten verricht, zich niet voor. In dit geval hield de aanvraag van appellant in dat hij, met toepassing van het Bbz 2004, zowel bedrijfskapitaal als bijstand voor levensonderhoud zou gaan ontvangen met het oog op de uitoefening van een volwaardig bedrijf. Laatstbedoelde bijstand zou in het geval van een toekenning, anders dan in de situatie van algemene bijstand ingevolge de WWB, plaatsvinden in de vorm van een geldlening. In de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is geen grond gevonden voor het oordeel dat op dit onderdeel sprake is van een vervalsing van het verslag van de hoorzitting.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Dit betekent dat geen grond bestaat voor veroordeling van het dagelijks bestuur tot vergoeding van de door appellant gestelde schade.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak.

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.C.R. Schut en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) V.C. Hartkamp

|HD