Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2152

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
24-10-2013
Zaaknummer
11-6104 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien om bij besluit, gericht aan appellant 1, de bijstand van appellant 1 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen. Bij afzonderlijk besluit, gericht aan appellant 2, heeft het college de kosten van de aan appellant 1 verleende bijstand mede van appellant 2 teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten vanaf 1 juli 1997 een gezamenlijke huishouding met elkaar voeren en dat appellant 1 dit niet aan het college heeft gemeld. Appellanten hadden gedurende de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning, zodat aan het eerste criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding is voldaan. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellanten in de periode in geding blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar. De schending van de inlichtingenverplichting door appellant 1 staat in de weg aan een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel en op het rechtszekerheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6104 WWB, 11/6105 WWB

Datum uitspraak: 22 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 september 2011, 11/1105 en 11/1106 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant 1.] (appellant 1) en [Appellant 2.] (appellant 2) te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Namens ieder van appellanten afzonderlijk heeft R.G.H.M. de Glas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2013. Daarbij zijn de zaken ter behandeling gevoegd. Voor appellanten is verschenen mr. De Glas. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Grootveld.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant 1 ontving vanaf 25 april 1996 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Hij woont vanaf 14 juli 1995 op het adres [Adres A.] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Appellant 2 staat in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens vanaf 9 juni 1995 op dat adres ingeschreven. Appellant 1 heeft opgegeven op het uitkeringsadres de zolderetage te huren van appellant 2, die eigenaar is van de woning op dat adres. Appellanten hebben vóór juni/juli 1995 beiden eerst van 31 december 1992 tot begin februari 1995 gewoond op het adres [Adres B.] te [plaatsnaam]en vervolgens, van begin 1995 tot juni/juli, op het adres [Adres C.] te [plaatsnaam].

1.2.

Naar aanleiding van een mededeling van de Belastingdienst dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren en de bevindingen van een vooronderzoek door het bureau Handhaving van de Directie Inwoners van de gemeente Nijmegen, heeft een sociaal rechercheur van afdeling Zorg en Inkomen, bureau Handhaving van de gemeente Nijmegen (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant

1

verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer onderzoek gedaan naar de gegevens in het bevolkingsregister, dossieronderzoek verricht en bankgegevens opgevraagd en onderzocht. De (voorlopige) onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een Rapportage van 22 juni 2010.

1.3.

In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 19 juli 2010, gericht aan appellant 1, de bijstand van appellant 1 met ingang van 1 juli 1997 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 juni 2010 tot een bedrag van € 171.437,70 van appellant 1 terug te vorderen. Bij afzonderlijk besluit van 19 juli 2010, gericht aan appellant 2, heeft het college de kosten van de aan appellant 1 verleende bijstand mede van appellant 2 teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten vanaf 1 juli 1997 een gezamenlijke huishouding met elkaar voeren en dat appellant 1 dit niet aan het college heeft gemeld.

1.4.

Na het uitbrengen van het rapport van 22 juni 2010 heeft de sociale recherche het onderzoek voortgezet. In dat kader heeft op 16 juli 2010 een doorzoeking in de woning van appellanten plaatsgevonden en zijn appellanten op 16 en 17 juli 2010 als verdachten verhoord

en is een aantal omwonenden van hun woonadres als getuigen gehoord. De bevindingen en conclusies van dat vervolgonderzoek zijn neergelegd in een Rapportage Formulier van

25 augustus 2010.

1.5.

Bij besluit van 28 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellanten gericht tegen de afzonderlijke besluiten van 19 juli 2010 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De in dit geding te beoordelen periode loopt van 1 juli 1997 tot en met 19 juli 2010 (de datum van het intrekkingsbesluit).

4.2.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Algemene bijstandswet en de WWB wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

4.3.

Appellanten betwisten dat in de hier van belang zijnde periode sprake was van een gezamenlijke huishouding. Met name de stelling dat alleen al uit hun verklaringen kan worden afgeleid dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, wordt betwist.

4.4.

Het eerste criterium voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding is het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. Voor de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet de feitelijke woonsituatie doorslaggevend worden geacht.

4.5.

Appellanten hebben evenals bij de rechtbank aangevoerd dat appellant 2 in de periode in geding niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, omdat hij het grootste deel van het jaar vanwege zijn werk in het buitenland verbleef. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het tijdelijke verblijf van appellant 2 in het buitenland geen gevolgen heeft gehad voor zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat appellant 2 in de periode in geding zijn woonstede in [woonplaats] heeft prijsgegeven. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat appellant 2 bij zijn verblijf in het buitenland op wisselende adressen in verschillende hotels verbleef en daar dus niet beschikte over eigen (vaste) woonruimte, dat hij in de tussengelegen perioden steeds terugkeerde naar zijn woning in [woonplaats] en daar dan ook verbleef, dat in deze woning zijn persoonlijke eigendommen en administratie lagen en dat dit ook zijn postadres was. De rechtbank heeft bovendien terecht vastgesteld dat het bij het tijdelijk verblijf in het buitenland niet om de gehele hier relevante periode ging. Hieruit volgt dat appellanten gedurende de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.6.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.7.

De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellanten in de periode in geding blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar. In die periode was sprake van een financiële verstrengeling tussen appellanten die verder ging dan wat in een commerciële kamerhuurrelatie gebruikelijk is. Uit de verklaringen die appellant 1 en appellant 2 elk afzonderlijk hebben afgelegd tegenover de sociaal rechercheur blijkt onder meer het volgende. Appellant 1 gebruikte vanaf de aanvang van de bewoning op het uitkeringsadres de gehele woning en kon alle ruimtes betreden. Hij heeft nimmer huur betaald. Appellant 2 betaalde de maandelijkse woonlasten, de kosten van levensonderhoud van beiden en de kosten van aanschaf van meubilair en stoffering. Appellant 1 beschikte sinds 2001 over een bankpas van de privérekening van appellant 2 en daarmee betaalde appellant 1 de gezamenlijke boodschappen. Appellant 2 gaf appellant 1 geld als hij dat nodig had. Appellant 2 betaalde de kosten van de gezamenlijke reizen naar het buitenland. Uit de verklaringen van appellanten blijkt voorts dat zij ook anderszins in elkaars verzorging hebben voorzien. Appellant 1 deed in het algemeen de huishoudelijke taken, zoals wassen, strijken, schoonmaken, koken en dergelijke. Hij verzorgde ook de administratie voor appellant 2. De ene keer deed appellant 2 de boodschappen, de andere keer appellant 1. De was werd de laatste tijd gedaan door appellant 2 omdat appellant 1 de trap niet meer op kon, maar ook appellant 1 deed de was nog weleens.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat de beroepsgrond van appellanten dat hun verklaringen geen toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat tussen hen wederzijdse zorg bestond, niet slaagt. Uit deze verklaringen, die hier bepalend zijn, blijkt dat wat appellanten hebben verklaard ziet op hun woon- en leefsituatie vanaf de aanvang van de bewoning aan het uitkeringsadres. De beroepsgrond dat uit de later bekend geworden feitelijke woon- en leefsituatie van appellanten niet de conclusie kan worden getrokken dat die situatie gedurende de gehele periode in geding hetzelfde is geweest, faalt dan ook.

4.9.

Dat appellant 1 financieel onafhankelijk wilde zijn en dat appellanten de situatie waarin zij verkeerden zelf niet als samenwoning beschouwden, leidt niet tot een andere conclusie. Voor de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding is doorslaggevend of is voldaan aan de in artikel 3 van de Abw en de WWB vermelde objectieve voorwaarden en niet hoe de betrokkenen zelf hun woon- en leefsituatie waarderen. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.10.

Appellanten hebben aangevoerd dat appellant 1 de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, aangezien hij binnen de grenzen van de redelijkheid melding heeft gemaakt van feiten die van belang zijn voor de beoordeling of sprake is van een gezamenlijke huishouding. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de verklaringen van appellant 1 komt naar voren dat hij willens en wetens van meet af aan een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven, door zijn situatie aan het college zo voor te stellen alsof hij als alleenstaande een kamer huurde in de woning van appellant 2. Daartoe heeft hij de benodigde bewijsstukken zoals een huurovereenkomst en verklaringen van huurbetalingen aan het college verstrekt. Uit wat appellant 1 tegenover de sociale recherche heeft verklaard, komt echter naar voren dat appellant in werkelijkheid niet een kamer huurde op het uitkeringsadres, maar feitelijk met appellant 2 een huishouding voerde. Door een onjuiste voorstelling van zaken te geven van zijn feitelijke woon- en leefsituatie, is de Raad met de rechtbank en het college van oordeel dat appellant 1 de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.11.

Appellanten hebben erop gewezen dat de bevindingen van een eerder huisbezoek voor het college geen aanleiding vormden om de bijstand van appellant 1 naar de norm voor een alleenstaande te beëindigen. Zij voeren aan dat er dan geen grondslag is voor intrekking en terugvordering van bijstand over het tijdvak waarop het huisbezoek in kwestie betrekking heeft. Deze beroepsgrond slaagt niet. De enkele omstandigheid dat tijdens een eerder onderzoek geen aanwijzingen voor het voeren van een gezamenlijke huishouding zijn gevonden, doet er niet aan af dat als uit later onderzoek naar voren komt dat wel sprake is van gezamenlijke huishouding, het college bevoegd is tot intrekking en terugvordering van de bijstand over te gaan ook over het tijdvak waarop het eerder onderzoek betrekking had. De schending van de inlichtingenverplichting door appellant 1 staat bovendien in de weg aan een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel en op het rechtszekerheidsbeginsel.

4.12.

Uit 4.4 tot en met 4.11 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en

Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2013.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) O.P.L. Hovens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD