Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2146

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
24-10-2013
Zaaknummer
11-7502 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit de bijstand in te trekken. Bij nader besluit heeft het college de gemaakte kosten van (leen)bijstand en langdurigheidstoeslag van appellante teruggevorderd. De besluitvorming berustte op de overweging dat appellante met haar echtgenoot een gezamenlijke huishouding voert. Gedurende de hier te beoordelen periode kan niet worden gesproken van duurzaam gescheiden leven. Dit betekent dat appellante en haar echtgenoot in die periode als een gezin als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder c, van de WWB moesten worden beschouwd en dat appellante niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/7502 WWB

Datum uitspraak: 22 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

11 oktober 2011, 11/1222 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.B. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Als tolk is S.R. Gaffaf verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is op 2 februari 1983 gehuwd met [naam echtgenoot]([echtgenoot]).

Op 28 november 2011 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad de echtscheiding tussen hen beiden uitgesproken. Vanaf 6 maart 2008 ontving appellante van het college bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante staat sinds 6 maart 2008 ingeschreven op het adres [Adres A.] te [woonplaats]. [echtgenoot] heeft van 25 januari 2008 tot 19 november 2008 ingeschreven gestaan op een adres in [woonplaats] en daarna achtereenvolgens op twee adressen in [plaatsnaam].

1.2.

Naar aanleiding van een melding dat appellante sinds 6 maart 2008 samenwoont met [echtgenoot], heeft de sociale recherche Flevoland (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, observaties uitgevoerd bij diverse instanties, waaronder waterbedrijf Vitens, informatie opgevraagd, appellante en [echtgenoot] verhoord en diverse buurtbewoners en getuigen gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 juni 2010.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

17 augustus 2010 de bijstand met ingang van 6 maart 2008 in te trekken. Bij besluit van

19 augustus 2010 heeft het college de over de periode van 6 maart 2008 tot en met 31 mei 2010 gemaakte kosten van (leen)bijstand en langdurigheidstoeslag tot een bedrag van

€ 36.353,28 van appellante teruggevorderd. De besluitvorming berustte op de overweging dat appellante met [echtgenoot] een gezamenlijke huishouding voert. Met ingang van 1 juni 2010 ontvangt appellante weer bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.4.

Bij besluit van 9 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 17 en 19 augustus 2010 gegrond verklaard en die besluiten herroepen, omdat de besluiten op een onjuiste grondslag berusten en nieuwe besluiten genomen tot intrekking en terugvordering van de bijstand van appellante, waaraan het college ten grondslag heeft gelegd dat appellante en [echtgenoot] niet duurzaam gescheiden leven.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat zij en [echtgenoot] al jarenlang gescheiden wonen. Appellante voert financieel haar eigen huishouden. [echtgenoot] bezocht alleen de kinderen een paar maal per week. Appellante begrijpt niet dat de buren hen als een gezin zien. Uit de verklaringen van de buren wordt niet duidelijk wat aan hen is gevraagd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2010:BO6538) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door tenminste één van hen als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2011:BU5865) dienen de aard van de relatie van betrokkenen, hun subjectieve beleving daarover en het motief op grond waarvan zij niet duurzaam gescheiden leven, voor de toepassing van de WWB buiten beschouwing te blijven. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van duurzaam gescheiden leven is niet van belang of sprake is van wederzijdse zorg.

4.2.

De bevindingen van het onderzoek bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellante in de periode hier in geding niet duurzaam gescheiden leefde van [echtgenoot]. Appellante heeft onder meer verklaard dat voor de kinderen alles normaal moest lijken en dat [naam N.] (lees: [echtgenoot]) zijn leven bij haar en het gezin had, maar dat hij niet voor vast bij hen was. De reden daarvan is dat hij vaak in Kurdistan is. De kinderen weten niet dat appellante en [echtgenoot] gescheiden zijn. [echtgenoot] heeft zijn leven bij appellante en haar gezin. [echtgenoot] heeft verklaard dat sinds appellante in [woonplaats]woont, hij niet altijd bij haar was en dat hij zijn kinderen naar school bracht en met hen naar de dokter ging. Ook heeft hij verklaard dat er problemen waren met mensen die zijn gezin bedreigden. Omdat ze bang waren, is hij weer bij hen gaan wonen. Verder hebben directe buren van appellante op 28 mei 2010 onafhankelijk van elkaar verklaard dat zij appellante, [echtgenoot] en de kinderen kennen als gezin. De buurvrouw op het adres [adres A.] heeft verklaard dat het gezin ongeveer anderhalf jaar tot twee jaar woont op het adres [Adres A.]. Daar komt bij dat de buren van [echtgenoot] in [plaatsnaam] en [plaatsnaam] zeggen hem nooit te zien. Eén buurman herkent hem niet meteen van de foto, maar zegt dat ene [echtgenoot] er af en toe is. Niet valt in te zien dat deze verklaringen niet bij de besluitvorming mogen worden betrokken. De verklaringen van de buren zijn voldoende concreet en consistent.

4.3.

De verklaringen die appellante heeft ingediend, leiden niet tot een ander oordeel. Uit deze achteraf opgestelde verklaringen zou kunnen worden afgeleid dat [echtgenoot] in de hier van belang zijnde periode regelmatig bij vrienden en bekenden logeerde. Deze verklaringen doen echter geen afbreuk aan de verklaringen zoals die hierboven zijn weergegeven en waaruit volgt dat appellante en [echtgenoot] niet hun eigen leven leiden als waren zij niet met de ander gehuwd.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 vloeit voort dat gedurende de hier te beoordelen periode niet kan worden gesproken van duurzaam gescheiden leven. Dit betekent dat appellante en [echtgenoot] in die periode als een gezin als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder c, van de WWB moesten worden beschouwd en dat appellante niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

4.5.

Het hoger beroep van appellante slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en M. Hillen en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M.R. Schuurman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.

RB