Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2144

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
24-10-2013
Zaaknummer
12-2907 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij bestreden besluit 1 de bijstand ingetrokken. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat wegens schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet meer kan worden vastgesteld. Appellanten hebben een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Bij bestreden besluit 2 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een andere beslissing rechtvaardigen. Door geen duidelijkheid te verschaffen over de omvang van zijn werkzaamheden heeft appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden. Het college was bevoegd om tot intrekking over te gaan. Anders dan de voorzieningenrechter van de rechtbank en met appellanten, is de Raad van oordeel dat sprake is van een voor de vaststelling van het recht op bijstand relevante wijziging van de omstandigheden in die zin dat in het arbeidscontract de omvang van de werkzaamheden in overeenstemming is gebracht met de omvang van de werkzaamheden als vermeld op de loonstroken. Het college zal een nieuwe beslissing moeten nemen op het bezwaar tegen het besluit met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 11
Participatiewet 17
Participatiewet 43
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/371
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2907 WWB, 12/2908 WWB, 12/4493 WWB

Datum uitspraak: 22 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 27 april 2012, 12/1460, 12/1468 en 12/1469 (aangevallen uitspraak 1) en van 2 juli 2012, 12/2631 en 12/2624 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. H.M. de Roo, advocaat, hoger beroepen ingesteld en in de zaken 12/2907 WWB en 12/2909 WWB een nader stuk ingediend.

Het college heeft in de zaken 12/2907 WWB en 12/2909 WWB een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2013. Namens appellanten is verschenen mr. De Roo. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S.S. Kisoentewari.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 28 december 2000 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Met ingang van 18 mei 2011 is appellant bij [naam V.O.F.] in dienst getreden in de functie van algemeen medewerker voor een periode van zes maanden, met een proeftijd van een maand. Op grond van de daartoe op 17 mei 2011 met appellant afgesloten arbeidsovereenkomst bedroeg het aantal uren per week 24, het aantal dagen per week 6 en het bruto loon per maand € 974,36 exclusief 8% vakantiegeld.

1.3.

In het kader van het “Project Partiële Inkomsten West” heeft een handhavingspecialist van de Dienst Werk en Inkomen Amsterdam (DWI), werkzaam bij de afdeling Controle (handhavingspecialist), een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de handhavingspecialist op 27 oktober 2011 een gesprek gevoerd met appellant. Omdat appellant een oproepcontract had en op verschillende dagen en tijdstippen werkte, zijn aan appellant bij besluit van 25 oktober 2011 extra verplichtingen opgelegd. Appellant moet vier weken lang zijn uren en verdiensten op het “Formulier Registratie werkzaamheden” bijhouden en het aan het eind van de week aan de DWI terugsturen. Omdat appellant had verklaard dat hij gemiddeld 20 à 24 uur per week werkte bij Kristal Baklava, wat niet overeenkwam met de verloonde uren op de door hem ingeleverde salarisspecificaties, heeft de handhavingspecialist in november 2011 meerdere waarnemingen ter plaatse bij [naam V.O.F.]verricht. Op 24 november 2011 heeft de handhavingspecialist opnieuw een gesprek gevoerd met appellant en hem geconfronteerd met de waarnemingen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 19 december 2011.

1.4.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 4 januari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 maart 2012 (bestreden besluit 1), de bijstand met ingang van 1 november 2011 ingetrokken. Aan bestreden besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat wegens schending van de inlichtingenverplichting vanaf 1 november 2011 het recht op bijstand niet meer kan worden vastgesteld.

1.5.

Op 27 februari 2012 hebben appellanten een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 6 maart 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 mei 2012 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant na het besluit van 4 januari 2012 geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een andere beslissing rechtvaardigen.

2.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1

4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient worden de periode van 1 november 2011 tot en met 4 januari 2012.

4.2.

Op de door appellant ingeleverde loonstroken over de maanden juli 2011 tot en met oktober 2011 is vermeld dat hij 21 à 23 dagen per maand en 42 à 46 uren per maand heeft gewerkt waarvoor de werkgever hem circa € 380,- contant heeft uitbetaald. Deze gegevens komen niet overeen met wat daarover in de onder 1.2 vermelde arbeidsovereenkomst is neergelegd.

4.3.

Op 27 oktober 2011 heeft appellant verklaard dat hij vijf dagen in de week werkt, van maandag tot en met vrijdag, en dat hij per dag tussen de twee en vier uur werkt. Daarnaast heeft appellant verklaard dat hij wekelijks 24 uur werkt, dat hij tussen de 20 en 24 uur per week werkt en dat dit altijd het geval is, de ene week 15 uur en de andere week 30 uur, zodat hij gemiddeld 24 uur per week werkt. Geconfronteerd met de discrepanties tussen de door hem ingeleverde loonstroken en zijn verklaring dat hij gemiddeld 24 uur per week werkt, heeft appellant verklaard dat hij niet weet hoe dit komt, dat zijn werkgever hem voor minder uren uitbetaalt en dat hij het bedrag krijgt dat op de loonstroken staat. Appellant heeft voorts verklaard dat hij ook buiten zijn werktijden bij [naam V.O.F.]komt, dat hij een half uur eerder naar zijn werk komt om thee te drinken en ook na zijn werktijd nog een half uur of een uur voor de gezelligheid aanwezig is in de zaak en dat hij ook wel eens in de weekeinden om dezelfde reden in de zaak komt. De zaak is dan gesloten maar zijn werkgever is wel aanwezig om de zaak schoon te maken. Als het nodig is helpt appellant hem daarmee. Op 24 november 2011 heeft appellant verklaard dat hij de registratieformulieren correct heeft ingevuld. Verder heeft appellant, geconfronteerd met het feit dat zijn auto buiten de door hem opgegeven werktijden bij [naam V.O.F.]is waargenomen en dat ook is waargenomen dat appellant zelf op twee data buiten de door hem opgegeven werktijden aanwezig was, herhaald dat hij buiten werktijden regelmatig bij [naam V.O.F.]komt om thee te drinken.

4.4.

Appellanten stellen zich op het standpunt dat het college hen op grond van de in 4.2 en

4.3

weergegeven onderzoeksbevindingen ten onrechte heeft tegengeworpen dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht niet kan worden vastgesteld. Daartoe hebben zij aangevoerd dat de door appellant opgegeven werktijden correct zijn. In eerste instantie is appellant aangenomen voor 24 uur per week, maar al tijdens de proeftijd bleek dat er niet genoeg werk was en is het dienstverband mondeling omgezet naar gemiddeld tien uren per week. Na de eerste betalingen gebaseerd op 24 uren per week is loon uitbetaald over tien uren per week. Bij de verlenging van het halfjaarcontract per 18 november 2011 is dit ook schriftelijk vastgelegd. Hoewel appellant de verklaring van 27 oktober 2011 heeft ondertekend, heeft hij als gevolg van het feit dat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, niet alles begrepen wat daarin stond. Met name de bewering dat hij 20 à 24 uren per week bij de werkgever zou werken, ligt genuanceerder dan is opgetekend omdat dit slechts de eerste weken het geval was. De veronderstelde tegenstrijdigheid in de verklaring ten aanzien van het aantal gewerkte uren kan hem daarom niet worden tegengeworpen. Appellanten bestrijden voorts dat uit de waarnemingen kan worden afgeleid dat appellant buiten de door hem gestelde 10 uren per week op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Appellant heeft voor het feit dat zijn auto buiten werktijden is aangetroffen en dat op twee data is geconstateerd hijzelf ook buiten de opgegeven werktijd aanwezig was, een plausibele verklaring gegeven.

4.5.

Anders dan appellanten betogen, heeft het college appellant kunnen tegenwerpen dat hij over zijn werkzaamheden bij [naam V.O.F.]tegenstrijdige informatie heeft verstrekt. Appellant heeft weliswaar gesteld dat zijn arbeidsoverkomst voor 24 uren per week in de proeftijd mondeling is omgezet naar gemiddeld tien uren per week, maar hij heeft deze wijziging niet gemeld bij het college. Het betoog van appellanten dat appellant niet mocht worden gehouden aan de door hem op 27 oktober 2011 afgelegde en ondertekende verklaring slaagt niet. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de tegenstrijdigheden in de door de handhavingspecialist opgetekende verklaring met betrekking tot het aantal gewerkte uren zijn toe te schrijven aan het feit dat appellant de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om de nuances in de weergave van die verklaring door de handhavingspecialist te begrijpen. Appellanten kunnen evenmin worden gevolgd in hun betoog dat, gelet op de uitspraak van de Raad van 16 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:785), de bevindingen uit de waarnemingen niet mogen worden gebruikt als bewijs. Anders dan in die zaak, bestond in het geval van appellant, gelet op de discrepantie tussen wat de in 1.2 vermelde arbeidsovereenkomst over het aantal te werken uren was opgenomen en het aantal gewerkte uren dat stond vermeld op de door appellant ingeleverde loonstroken, voorafgaande aan de waarnemingen wel twijfel aan de juistheid van de door appellant opgegeven omvang van zijn werkzaamheden. Wat is waargenomen, strookt niet met de verklaring die appellant op 27 oktober 2011 heeft afgelegd. Zijn auto is immers herhaaldelijk bij [naam V.O.F.]buiten de door hem opgegeven werktijden aangetroffen en ook appellant zelf was een aantal keren buiten de door hem opgegeven werktijden aanwezig. De daarvoor door appellant gegeven verklaring dat hij daar was om thee te drinken of te buurten bij een bevriende garagehouder en dat hij zijn auto regelmatig bij [naam V.O.F.]liet staan, is onvoldoende om afbreuk te doen aan de uit die waarnemingen door het college getrokken conclusie.

4.6.

Door geen duidelijkheid te verschaffen over de omvang van zijn werkzaamheden heeft appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellanten zijn daarin niet geslaagd. Ook naderhand hebben zij geen duidelijkheid verschaft over de omvang van de werkzaamheden van appellant. Dit betekent dat het college bevoegd was om tot intrekking over te gaan en dat ook het subsidiaire standpunt van appellanten, inhoudende dat hooguit zou kunnen worden uitgegaan van 24 arbeidsuren per week waardoor een volledige intrekking niet gerechtvaardigd is, niet kan worden gevolgd.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat aangevallen uitspraak 1 voor bevestiging in aanmerking komt. Voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding bestaat daarom geen grond.

Aangevallen uitspraak 2

4.8.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op de aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 27 januari 2012 tot en met 6 maart 2012.

4.9.

Indien periodieke bijstand is beëindigd of ingetrokken en de betrokkene een aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen in het kader van de onderzoeksplicht op juistheid en volledigheid te controleren.

4.10.

De intrekking van de bijstand per 1 november 2011 is gebaseerd op de onduidelijkheid over de omvang van de werkzaamheden van appellant, gezien de discrepanties tussen de arbeidsovereenkomst en de ingeleverde loonstroken alsmede gelet op het feit dat appellant zelf en zijn auto buiten de door hem opgegeven werktijden bij [naam V.O.F.]zijn waargenomen.

4.11.

Appellanten hebben bij hun nieuwe aanvraag het verlengde arbeidscontract van 18 november 2011 tot 18 mei 2011 overgelegd, waaruit blijkt dat is afgesproken dat appellant 10 uren per week werkt. Voorts heeft appellant verklaard niet meer op de bakkerij aanwezig te zijn buiten werktijden. Ter ondersteuning hiervan hebben appellanten een verklaring van de werkgever van appellant overgelegd waarin de werkgever bevestigt dat appellant 10 uren per week werkzaam is en daarbuiten niet aanwezig is bij de werkgever.

4.12.

Anders dan de voorzieningenrechter van de rechtbank en met appellanten, is de Raad van oordeel dat sprake is van een voor de vaststelling van het recht op bijstand relevante wijziging van de omstandigheden in die zin dat in het arbeidscontract de omvang van de werkzaamheden in overeenstemming is gebracht met de omvang van de werkzaamheden als vermeld op de loonstroken. Uit de door appellanten overgelegde bankschriften blijkt voorts dat het loon, anders dan voorheen, giraal wordt uitbetaald, zodat het controleerbaar is. Bij die stand van zaken mocht het college de aanvraag om bijstand niet zonder meer afwijzen onder verwijzing naar de eerdere intrekking en het ontbreken van gewijzigde omstandigheden. Indien het college de door appellanten verschafte gegevens onvoldoende vond om het recht op bijstand vast te stellen, had het moeten aangeven welke gegevens appellanten nog meer diende te verstrekken, dan wel zelf nader onderzoek moeten doen. Nu het college dat heeft nagelaten, kan bestreden besluit 2 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, geen standhouden.

4.13.

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft wat onder 4.8 tot en met 4.12 is overwogen niet onderkend. Aangevallen uitspraak 2 komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en bestreden besluit 2 vernietigen. De Raad ziet geen geschikte wijze van finale geschillenbeslechting binnen zijn bereik, omdat voor de vaststelling van het recht op bijstand vanaf de datum van de aanvraag zich onder de gedingstukken onvoldoende gegevens bevinden. Het college zal een nieuwe beslissing moeten nemen op het bezwaar tegen het besluit van 6 maart 2012 met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Bij het nieuw te nemen besluit zal het college zich ook moeten uitlaten over het verzoek om schadevergoeding.

5.

De Raad ziet aanleiding het college in zaak12/4493 WWB te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 944,- in beroep en op € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Aangevallen uitspraak 1 (12/1460, 12/1468 en 12/1469)

  • -

    bevestigt aangevallen uitspraak 1;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Aangevallen uitspraak 2 (12/2631 en 12/2624)

  • -

    vernietigt aangevallen uitspraak 2;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 19 maart 2012;

  • -

    draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 157,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.888,-.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.C.R. Schut en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) V.C. Hartkamp

JvC