Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2136

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
24-10-2013
Zaaknummer
12-1843 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest bij besluit I de bijstand van appellante in te trekken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante geen volledige informatie heeft verstrekt omtrent haar vermogenspositie met als gevolg dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Vervolgens heeft appellante een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit II is deze aanvraag afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Het college is de mening toegedaan dat, anders dan in het bestreden besluit is neergelegd, het recht op bijstand ten tijde in geding wel was vast te stellen en wel op nihil. Daarmee wordt de grondslag van het bestreden besluit kennelijk niet langer gehandhaafd, zodat dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb moet worden vernietigd. Wel blijven de rechtsgevolgen in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1843 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

22 februari 2012, 10/8223 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J.W. de Water, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter zitting aan de orde gesteld op 10 september 2013. Partijen, waarvan appellante met voorafgaand bericht, zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds maart 2000 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van een door het college ontvangen tip over vermogensbezit van appellante in Marokko heeft het college het Internationaal Bureau Fraude-informatie van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (IBF) verzocht een onderzoek in te stellen. Het IBF heeft vervolgens het Onderzoek Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Rabat in Marokko gevraagd onderzoek te doen naar mogelijk vermogensbezit van appellante in Azrou. Uit de door genoemd Bureau opgemaakte rapportage van 1 februari 2010 blijkt dat appellante ten tijde in geding eigenares was van een stuk grond, aangeduid als [naam A.] in Marokko, met grondtitel [naam grondtitel]. Tevens is gebleken dat appellante juridisch eigenaar was van de daarop gebouwde woning. De begane grond en de eerste etages van de woning werden op naam van appellante verhuurd. De vader van appellante bewoont met zijn gezin de tweede etage van de woning. Een beëdigd makelaar in Marokko heeft de waarde van het betreffende onroerend goed getaxeerd op ongeveer

€ 71.670,- (waarde 2008).

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest bij besluit van 1 juli 2010 de bijstand van appellante met ingang van 1 juni 2010 (besluit 1) te beëindigen (lees: in te trekken). Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante geen volledige informatie heeft verstrekt omtrent haar vermogenspositie met als gevolg dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Op 23 augustus 2010 heeft appellante een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend met als gewenste ingangsdatum 1 juni 2010. Bij besluit van 3 september 2010 (besluit 2) is deze aanvraag afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Bij besluit van 2 november 2010 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het op haar naam geregistreerde onroerend goed op het onder 1.1 vermelde adres ten tijde in geding geen bestanddeel vormde van haar vermogen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat het college bij de toekenning van de bijstand in 2000 reeds bekend was met de situatie rond de grond en woning in Marokko, dat appellante nimmer inkomsten uit verhuur van die woning heeft ontvangen, dat appellante langer dan gewenst juridisch eigenaar van de woning is geweest omdat haar gewezen echtgenoot weigerde medewerking te verlenen om het onroerend goed van de hand te doen en dat appellante inmiddels sinds 22 juni 2011 geen eigenares van de grond en/of de woning meer is.

3.1.

Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de bijstand van appellante terecht is ingetrokken omdat zij ten tijde in geding een woning in Marokko bezat met een waarde die het vrij te laten vermogen ruim te boven ging, dat de “geen-eigendom-verklaring” van 22 juni 2011 daaraan geen afbreuk doet en dat ten tijde van de nieuwe aanvraag om bijstand geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter beoordeling ligt voor de periode van 1 juni 2010 tot en met 1 juli 2010, de datum van het besluit tot intrekking van de bijstand van appellante. Wat betreft de afwijzing van de nieuwe aanvraag loopt de beoordelingsperiode van 1 juni 2010 tot en met 3 september 2010.

4.2.

Allereerst wordt vastgesteld dat het college zich bij verweer in hoger beroep nader op het standpunt heeft gesteld dat appellante ten tijde in geding beschikte over vermogen in de vorm van onroerend goed in Marokko dat de (vrij te laten) vermogensgrens ruim te boven ging. Daaruit moet worden afgeleid dat het college thans de mening is toegedaan dat, anders dan in het bestreden besluit is neergelegd, het recht op bijstand ten tijde in geding wel was vast te stellen en wel op nihil. Daarmee wordt de grondslag van het bestreden besluit kennelijk niet langer gehandhaafd, zodat dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb moet worden vernietigd. De aangevallen uitspraak treft als gevolg daarvan eenzelfde lot. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in rechte in stand kunnen blijven. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.

Met het college wordt geoordeeld dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Weliswaar heeft appellante ten tijde van de toekenning van de bijstand in 2000 melding gemaakt van het bezit van een stukje grond in Marokko maar zij heeft verzuimd mededeling te doen van het feit dat zij - ook nog ten tijde in geding - juridisch eigenaar was van de grond met opstallen op het in 1.1 genoemde adres. Het had haar redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat dit gegeven van invloed kon zijn op het recht op bijstand, zodat zij verplicht was daarvan onverwijld melding te maken aan het college.

4.4.

De waarde van het in 1.1 aangeduide onroerend goed, die na taxatie op € 71.670,- is gesteld en in (hoger) beroep niet langer is betwist, vormde wegens overschrijding van de vermogensgrens een beletsel voor (voortzetting van de) bijstandsverlening. Het college was ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB dan ook bevoegd tot intrekking van de bijstand van appellante over in ieder geval de in geding zijnde periode. Dat zij door toedoen van haar gewezen echtgenoot langer dan gewenst juridisch eigenaar zou zijn geweest van bedoeld onroerend goed doet, wat daarvan zij, daaraan niet af. Het een en ander betekent dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in zoverre in stand kunnen worden gelaten.

4.5.

Hetzelfde geldt voor de in het bestreden besluit gehandhaafde afwijzing van de nieuwe aanvraag van 23 augustus 2010. Ten aanzien van de periode van 1 juni 2010 tot en met 1 juli 2010 was geen sprake van zodanige nieuwe feiten en omstandigheden dat aanleiding bestond terug te komen van het eerdere besluit tot intrekking van de bijstand. Voor wat betreft de periode van 2 juli 2010 tot en met 22 augustus 2010 zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld die een eerdere ingangsdatum dan 23 augustus 2010 zouden kunnen rechtvaardigen. Met betrekking tot de periode van 23 augustus 2010 tot en met 3 september 2010 (besluit 2) lag het op de weg van appellante aan te tonen dat zij in die periode anders dan voorheen wel aan de voorwaarden voor toekenning van bijstand voldeed. Daarin is zij niet geslaagd. Ook in dat verband is van belang dat de later overgelegde “geen-eigendom-verklaring” pas op 22 juni 2011 is opgemaakt en niet mede op de daarvoor liggende periode ziet. Wat omtrent de ontvangst van huurpenningen in hoger beroep naar voren is gebracht kan verder buiten bespreking blijven omdat dit niet aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd.

4.6.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd, en dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.434,- voor de kosten in bezwaar (twee afzonderlijke bezwaarschriften en verschijnen hoorzitting), € 944,- in beroep (beroepschrift en verschijnen zitting) en € 478,- in hoger beroep (hoger beroepschrift) wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 2 november 2010 en laat de rechtsgevolgen van dat vernietigde

besluit in stand;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.856,- ;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2013.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) E. Heemsbergen

HD