Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2120

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
24-10-2013
Zaaknummer
11-5069 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Over de kasstortingen geen (verifieerbare) inlichtingen verschaft aan het college. Recht op bijstand van appellante niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/5069 WWB

Datum uitspraak: 22 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2011, 10/5208 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante]te [woonplaats](appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam[woonplaats](college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.J. Wintjes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2013. Namens appellant is verschenen mr. Wintjes. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J. Avedissian.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 2 mei 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

In december 2008 heeft de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe) van de gemeente Rotterdam een bijzonder rechtmatigheidsonderzoek naar de aan appellante verleende bijstand ingesteld, omdat sprake zou zijn van onduidelijke overboekingen van de bankrekening van appellante naar haar dochter en weer terug. Op de in dat kader door appellante overgelegde bankafschriften komt een groot aantal bijschrijvingen voor van substantiële bedragen, grotendeels in de vorm van per kas gestorte bedragen.

Appellante verklaarde hierover dat dit leningen betrof die zij uit de Oekraïne had ontvangen tot een bedrag van in totaal € 50.750,-. SoZaWe heeft de zaak overgedragen aan de Afdeling Bijzondere Onderzoeken. Deze afdeling heeft appellante verschillende malen gevraagd gegevens in te leveren en diverse gesprekken met haar gevoerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 16 september 2009, 24 februari 2010 en

14 juni 2010.

1.3.

Bij besluit van 24 juni 2010 heeft het college de aan appellante verleende bijstand over de periode van 2 mei 2007 tot en met 30 april 2009, met uitzondering van de maanden januari 2008 en oktober 2008 tot februari 2009, herzien [lees: ingetrokken] en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 18.826,67 van appellante teruggevorderd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat in genoemde periode stortingen op haar bankrekeningen hebben plaatsgevonden waarvan zij de herkomst onvoldoende heeft kunnen aantonen. Appellante heeft het college over deze (kas)stortingen niet geïnformeerd. Hiermee heeft zij haar inlichtingenverplichting geschonden. Appellante heeft ook desgevraagd over de stortingen geen (verifieerbare) inlichtingen verschaft aan het college. Hierdoor kan het recht op bijstand van appellante niet worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 3 november 2010 (bestreden besluit) heeft het college

- voor zover van belang - het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 juni 2010 ongegrond verklaard. Het college heeft daarbij kenbaar gemaakt dat de kosten van bijstand over de maanden oktober 2007 en april 2008 niet van appellante worden teruggevorderd, maar dat dit geen gevolgen heeft voor de hoogte van het teruggevorderde bedrag.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft aangevoerd dat niet is gebleken dat SoZaWe is uitgenodigd voor de hoorzitting, hetgeen in strijd is met artikel 7:13, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.2.

De gemachtigde van het college heeft ter zitting van de Raad de werkwijze die destijds in de bezwaarfase werd gevolgd nader toegelicht. Hieruit komt onder meer naar voren dat SoZaWe in beginsel niet werd uitgenodigd voor de hoorzitting.

4.3.

De hier gevolgde werkwijze is niet in overeenstemming met artikel 7:13, vijfde lid, van de Awb. In dit artikellid is bepaald dat een vertegenwoordiger van het bestuursorgaan voor het horen wordt uitgenodigd en in de gelegenheid wordt gesteld een toelichting op het standpunt van het bestuursorgaan te geven. Met deze bepaling en het daaraan mede ten grondslag liggende beginsel van hoor en wederhoor is niet verenigbaar dat het bestuursorgaan, zoals in dit geval, niet voor de hoorzitting wordt uitgenodigd. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 26 maart 2013, LJN BZ5700. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Het beroep tegen het bestreden besluit moet gegrond worden verklaard en dat besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:13, vijfde lid, van de Awb. Zowel ter zitting bij de rechtbank als ter zitting bij de Raad is een vertegenwoordiger van het college aanwezig geweest, waardoor een uitwisseling van informatie en standpunten heeft kunnen plaatsvinden. De Raad zal daarom beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven.

4.4.

De intrekkingsperiode loopt van 2 mei 2007 tot en met 30 april 2009, met uitzondering van de maanden oktober 2007, januari 2008, april 2008 en oktober 2008 tot februari 2009.

4.5.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het college de grondslag van het bestreden besluit nader toegelicht. Hierbij heeft zij bevestigd dat de bijstand van appellante over de onder 4.4 genoemde perioden per maand is ingetrokken. Voorts heeft zij, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Het college stelt zich op het standpunt dat in de maanden waarin de gedane (kas)stortingen uitgaan boven de voor appellante geldende bijstandsnorm al om die reden geen recht op bijstand bestaat. In de maanden waarin dat niet het geval is, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld in verband met de omvang van de gestorte bedragen en een daaraan ten grondslag liggend ‘verdienmodel’ dat niet duidelijk is. De intrekking van de bijstand over de maanden juli en augustus 2007 wordt niet langer gehandhaafd.

4.6.

Vaststaat dat op de bankrekeningen van appellante in de maanden mei en juni 2007, september 2007, november en december 2007, februari en maart 2008, mei tot en met september 2008 en februari tot en met april 2009 stortingen hebben plaatsgevonden tot een bedrag van in totaal € 49.483,50. De stortingen betreffen voornamelijk kasstortingen.

4.7.

Appellante heeft over de herkomst van de gestorte bedragen op haar rekeningen verklaard dat zij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 juni 2008 een bedrag van in totaal

€ 50.750,-- heeft geleend van de heer A.I. Kozhushko (K), directeur van een transportbedrijf. Ter onderbouwing van deze leningen heeft appellante vier verklaringen overgelegd, inhoudende dat zij over de jaren 2005, 2006, 2007 en (de eerste helft van) 2008 bedragen van achtereenvolgens € 14.750,-, € 15.000,-, € 11.000,- en € 10.000,- heeft geleend van K. Voorts heeft appellante een verklaring, ondertekend door K, van 23 juli 2008 overgelegd, inhoudende dat van appellante als betaling van haar schuld op 22 juli 2008 in totaal € 40.750,- is ontvangen via de firma Van der Burg. Tot slot heeft appellante drie verklaringen, afkomstig van St. Aleksandr Nevskiy Transport Company ’Transcoman’, van 28 augustus 2009 overgelegd, waarin wordt bevestigd dat op 1 januari 2005 een leenovereenkomst is gesloten tussen K en appellante, en waarin onder meer is omschreven welk bedrag maandelijks in de periode van mei 2007 tot en met juli 2008 contant aan appellante betaalbaar is gesteld.

4.8.

Niet (meer) in geschil is dat deze - achteraf opgestelde - verklaringen van appellante over de herkomst van de gestorte bedragen op haar bankrekeningen en de daarop zichtbare geldstromen geen van alle verifieerbaar zijn, zodat de juistheid daarvan niet kan worden vastgesteld. Dit betekent dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellante, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt wat de herkomst is van de vele (kas)stortingen die hebben plaatsgevonden op haar bankrekeningen. Appellante heeft aldus onvoldoende duidelijkheid verschaft over haar financiële situatie in de in geding zijnde periode. Dit betekent dat appellante de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.9.

Het geschil spitst zich vervolgens toe op de vraag of ondanks deze schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellante over de in geding zijnde maanden waarin de stortingen hebben plaatsgevonden alsnog kan worden vastgesteld. Appellante heeft - voor zover nog van belang - in dit verband aangevoerd dat de stortingen in de maanden juni 2007, mei 2008, juli 2008 en februari 2009 tot en met april 2009 als inkomsten in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB moeten worden aangemerkt, zodat het recht op bijstand van appellante over die maanden kan worden vastgesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor zover de in de genoemde maanden gedane stortingen de voor appellante geldende bijstandsnorm te boven gaan, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat al om die reden geen recht op bijstand bestaat. Voor zover de in deze maanden gedane stortingen de voor appellante geldende bijstandsnorm niet te boven gaan, wordt geoordeeld dat deze stortingen niet kunnen worden aangemerkt als inkomsten, omdat de herkomst van de op de rekeningen gestorte bedragen onduidelijk is gebleven en geen sprake is van regelmatig gedane stortingen.

4.10.

Uit hetgeen onder 4.4 tot en met 4.9 is overwogen volgt dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante over de periode van 2 mei 2007 tot en met 30 april 2009, met uitzondering van de maanden juli en augustus 2007, oktober 2007, januari 2008, april 2008 en oktober 2008 tot februari 2009, in te trekken. Tegen de wijze waarop het college van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, heeft appellante in beroep noch in hoger beroep zelfstandige gronden aangevoerd.

4.11.

Gelet op hetgeen onder 4.10 is overwogen zal de Raad de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand laten, voor zover dit besluit ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 2 mei 2007 tot en met 30 april 2009, met uitzondering van de maanden juli en augustus 2007, oktober 2007, januari 2008, april 2008 en oktober 2008 tot februari 2009. Voorts zal de Raad het besluit van 24 juni 2010 herroepen voor zover daarbij de bijstand over de maanden juli en augustus 2007 is ingetrokken en bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit wat betreft de intrekking.

4.12.

Uit hetgeen onder 4.11 is overwogen vloeit voort dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de kosten van de over de periode van 2 mei 2007 tot en met 30 april 2009, met uitzondering van de maanden juli en augustus 2007, oktober 2007, januari 2008, april 2008 en oktober 2008 tot februari 2009, verleende bijstand van appellante terug te vorderen. In aanmerking genomen dat een terugvorderingsbesluit ondeelbaar is, zal het college een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag over die periode moeten maken. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit kunnen voor zover het betreft de terugvordering dus niet in stand worden gelaten. De Raad ziet in dit geval, nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking, die naar verwachting geen discussie zal opleveren, af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot - volledige - finale geschilbeslechting. Het college zal met betrekking tot de terugvordering een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.

5.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen tot vergoeding van de kosten in bezwaar en de proceskosten in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 472,- voor kosten in bezwaar, op € 944,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 944,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 3 november 2010;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, voor zover dit

besluit ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 2 mei 2007 tot en met

30 april 2009, met uitzondering van de maanden juli en augustus 2007, oktober 2007,

januari 2008, april 2008 en oktober 2008 tot februari 2009;

- herroept het besluit van 24 juni 2010 voor zover dit besluit ziet op de intrekking van de

bijstand over de maanden juli en augustus 2007 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in

de plaats treedt van het besluit van 3 november 2010;

- draagt het college op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen inzake de terugvordering

met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.360,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en

Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2013.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) O.P.L. Hovens

HD