Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2118

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-10-2013
Datum publicatie
22-10-2013
Zaaknummer
11-800 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een vergoeding als compensatie voor de inkomensschade die appellant stelt te hebben geleden als gevolg van de geringe bijverdienmarge die hij heeft gehad tijdens zijn FPU-periode. Appellant heeft niet betwist dat hij in de FPU-periode waar het om gaat, geen inkomsten heeft verworven uit zijn activiteiten in zijn bedrijf of uit andere bron. Wat er ook zij van de vraag of de bijverdienmogelijkheden van appellant zijn beperkt en zo ja, wat daarvan de oorzaak is, van derving van inkomsten is dus geen sprake geweest. Dat appellant, zoals hij heeft aangevoerd, kosten heeft gemaakt en tijd en energie heeft gestoken in het opzetten van een eigen bedrijf en het volgen van een studie, leidt niet tot een ander oordeel. (zie ook: ECLI:NL:CRVB:2010:BM3643)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/800 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 december 2010, 10/390 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van dijkgraaf en heemraden van het Waterschap Rivierenland (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Tijdens het onderzoek ter zitting van 4 april 2013, waar appellant is verschenen en het college zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat, en J.C. Hugo, heeft appellant verzocht om wraking van de behandelend rechter. In verband met dit verzoek is het onderzoek ter zitting geschorst. Bij beslissing van 22 mei 2013, 11/800 AW-W e.v., heeft de wrakingskamer van de Raad het wrakingsverzoek afgewezen.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 9 september 2013. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Kerkhof en J.C. Hugo.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant heeft het college bij brief van 27 maart 2007 verzocht om een vergoeding ter hoogte van € 100.000,- of meer als compensatie voor de inkomensschade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de geringe bijverdienmarge die hij heeft gehad tijdens zijn FPU-periode, en die appellant wijt aan onjuist handelen dan wel handelen in strijd met gemaakte afspraken door het college. Bij besluit van 18 juni 2009 met kenmerk 14330/HRSC/200922603 (brief 6) heeft het college dit verzoek afgewezen. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 15 december 2009 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, dat bezwaar ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dat ziet op brief 6, niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is van oordeel dat appellant geen belang heeft bij een oordeel van de rechtbank over het verzoek om inkomensschade, omdat appellant geen bijverdiensten heeft genoten en dus ook geen inkomensschade heeft geleden. Daaraan doet volgens de rechtbank niet af dat appellant geen bijverdiensten heeft genoten, juist omdat het verrichten van betaalde werkzaamheden hem door het college zou zijn verboden. Appellant had immers door middel van het verrichten van betaalde werkzaamheden van het college een besluit kunnen uitlokken waartegen, na bezwaar, beroep bij de rechtbank had kunnen worden ingesteld. In die procedure had appellant een oordeel over de bijverdienmogelijkheid kunnen verkrijgen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant onder meer aangevoerd dat wel sprake is van inkomensderving. Hem is in de gesprekken op 12 en 16 maart 2001 voorgehouden dat hij gedurende de FPU-periode van 1 april 2006 tot 1 februari 2010 zou kunnen bijverdienen tot in ieder geval 100% van zijn daarvoor geldend inkomen. Het college heeft deze bijverdienmogelijkheid actief geblokkeerd, terwijl hij zich in de jaren voorafgaand aan zijn FPU-periode juist had voorbereid op het kunnen verwerven van bijverdiensten door onder meer her- en bijscholing op een ander terrein dan het waterbeheer.

3.2.

Het college heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat de Raad al eerder, in zijn uitspraak van 22 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3643, heeft geoordeeld over de kwestie van de bijverdienmogelijkheden van appellant tijdens de FPU-periode. Het college wijst in dit verband op rechtsoverweging 4.4.8 van die uitspraak, waarin is overwogen dat er geen bijverdiensten door appellant zijn opgegeven, zodat een oordeel over het missen van bijverdienmogelijkheden die door appellant hadden kunnen worden ondernomen, achterwege kan blijven. Het college heeft zich verder achter de aangevallen uitspraak geschaard en opgemerkt dat appellant geen bijverdiensten genoten heeft, althans dat hij geen opgave heeft gedaan van bijverdiensten en dat het Algemeen burgerlijk pensioenfonds en niet de werkgever oordeelt over de bijverdienmogelijkheden.

4.1.

De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht geen grond om tot een ander oordeel dan de rechtbank te komen over de vraag of appellant procesbelang heeft bij een oordeel over het verzoek om vergoeding van inkomensschade. De overwegingen die de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd worden onderschreven. Appellant heeft niet betwist en ook de Raad stelt vast dat appellant in de periode waar het om gaat, de FPU-periode van 1 april 2006 tot 1 februari 2010, geen inkomsten heeft verworven uit zijn activiteiten in zijn bedrijf of uit andere bron. Wat er ook zij van de vraag of de bijverdienmogelijkheden van appellant zijn beperkt en zo ja, wat daarvan de oorzaak is, van derving van inkomsten is dus geen sprake geweest. Dat appellant, zoals hij heeft aangevoerd, kosten heeft gemaakt en tijd en energie heeft gestoken in het opzetten van een eigen bedrijf en het volgen van een studie, leidt niet tot een ander oordeel.

4.2.

Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) S.K. Dekker

HD