Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2114

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2013
Datum publicatie
22-10-2013
Zaaknummer
12-4042 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldig nalatig premie AOW te betalen. Ambtshalve aanslagen belastingdienst. Bij nadere besluiten zijn de percentages van de schuldige nalatigheid herzien en vastgesteld op 45%. Appellant heeft niet aangetoond dat het niet betalen van de verschuldigde AOW-premie hem niet kan worden toegerekend. Niet gebleken dat appellant ten tijde van verstrijken van de vervaltermijn van de aanslagen zich in een inkomenssituatie onder het bestaansminimum bevond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4042 AOW, 12/4043 AOW, 12/4044 AOW, 13/3685 AOW, 13/3686 AOW, 13/3687 AOW, 13/3688 AOW, 13/3689 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 7 juni 2012, 11/1791 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.D.H. Hamer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hamer. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.Y. van den Berg.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

De Svb heeft nadere besluiten overgelegd. Appellant heeft in verband daarmee een nader standpunt ingenomen.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. De Svb heeft in december 2010, respectievelijk februari 2011 van de belastingdienst bericht ontvangen dat appellant een bedrag aan achterstallige Inkomstenbelasting en/of premie volksverzekeringen verschuldigd is van € 1.226,00 over 2002, € 1.831,00 over 2003 en € 6.105,00 over 2004. Bij besluiten van 3 februari 2011 en 28 februari 2011 heeft de Svb vastgesteld dat appellant schuldig nalatig is de premie voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) te betalen over 2002 voor 35%, over 2003 voor 46% en over 2004 voor 100%. Bij besluit van 17 maart 2011 is de schuldige nalatigheid over 2003 alsnog vastgesteld op 45%.

1.2. Tegen de besluiten van 3 februari 2011 en 17 februari 2011 heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij een drietal besluiten van 7 juli 2011 zijn de bezwaren tegen de besluiten betreffende 2002 en 2004 ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen de vaststelling van schuldige nalatigheid over 2003 is gedeeltelijk gegrond verklaard voor zover de schuldige nalatigheid over dit jaar is verlaagd bij het besluit van 17 maart 2011 en is het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Bij besluiten van 13 juli 2011 en 19 oktober 2011 is de schuldige nalatigheid over 2002 alsnog vastgesteld op 25% respectievelijk 24%. De schuldige nalatigheid over 2003 is bij besluiten van 18 april 2012, 25 april 2012 en 16 mei 2012 alsnog vastgesteld op respectievelijk 27%, 25% en 20%.

2.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen de besluiten van 7 juli 2011 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant over 2002, 2003 en 2004 terecht schuldig nalatig verklaard. Overwogen is dat appellant de aanslagen van de belastingdienst niet (volledig) heeft voldaan. De door appellant aangevoerde feiten en omstandigheden kunnen volgens de rechtbank niet de conclusie rechtvaardigen dat het niet volledig betalen van de AOW-premies appellant niet kan worden toegerekend.

3.1.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat in de aangevallen uitspraak ten onrechte in het midden is gelaten of sprake is van een ambtshalve opgelegde aanslagen. Voorts heeft appellant het standpunt ingenomen dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het niet betalen hem niet kan worden toegerekend.

3.2.

De Svb heeft gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het niet betalen van de aanslagen hem niet toerekenbaar is.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De besluiten van 13 juli 2011, 19 oktober 2011, 18 april 2012, 25 april 2012 en

16 mei 2012 dienen te worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals deze bepaling voor 1 januari 2013 luidde, nu deze besluiten binnen de grondslag en reikwijdte van de besluiten van 7 juli 2011 vallen. De rechtbank heeft verzuimd het beroep aan te merken als mede gericht tegen de besluiten van 13 juli 2011, 19 oktober 2011, 18 april 2012, 25 april 2012 en 16 mei 2012. Gelet op de besluiten van 19 oktober 2011 en 16 mei 2012 zijn bij de besluiten van 7 juli 2011,

13 juli 2011, 18 april 2012 en 25 april 2012 de percentages van de schuldige nalatigheid over 2002 en 2003 te hoog vastgesteld.

4.2.

Appellant heeft geen gronden gericht tegen de berekening van de percentages van de schuldige nalatigheid over 2002, 2003 of 2004. Er is geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de vaststelling van deze percentages bij het besluit van 7 juli 2011 betreffende de schuldige nalatigheid over 2004, het besluit van 19 oktober 2011 en het besluit van

16 mei 2012.

4.3.

In dit geding dient voorts te worden beoordeeld of appellant over 2002, 2003 en 2004 terecht schuldig nalatig verklaard. Niet in geschil is dat deze beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van de bepalingen van artikel 18 van de Wet Financiering Volksverzekeringen (WFV).

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de aanslagen waarop de vaststelling van de schuldige nalatigheid over 2002, 2003 en 2004 is gebaseerd door de belastingdienst niet ambtshalve zijn opgelegd. Op de zitting van de rechtbank is bevestigd dat deze omstandigheid van de zijde van de Svb niet wordt betwist.

4.5.

Appellant heeft niet aangetoond dat het niet betalen van de verschuldigde AOW-premie hem niet kan worden toegerekend. Het betoog van appellant dat hij door zijn detentie niet aan zijn betalingsverplichtingen kon voldoen, moet worden verworpen. De over 2002 en 2003 verschuldigde Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen is vastgesteld bij twee aanslagen van 18 september 2007, met vervaldag 18 oktober 2007. Bij een aanslag van

19 september 2007, met vervaldag 19 oktober 2007, is de over 2004 verschuldigde Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen vastgesteld. Appellant is gedetineerd geweest vanaf 23 december 2008, dus ruim 14 maanden na het verstrijken van de vervaldag van 18 oktober 2007. De Raad wijst op zijn uitspraak van 16 september 2011, LJN BT1945, waarin is beslist dat een detentie die ongeveer 15 maanden na de vervaldatum van de aanslag aanving, niet aan toerekening van het niet betalen in de weg staat.

4.6.

Appellant kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat de betalingsachterstand te wijten is aan het strafrechtelijke onderzoek en de detentie, omdat deze een zodanige inkomensdaling zouden hebben veroorzaakt dat appellant onder het bestaansminimum is geraakt.

Niet gebleken is dat appellant ten tijde van verstrijken van de vervaltermijn van de aanslagen zich in een inkomenssituatie onder het bestaansminimum bevond. In de door appellant overgelegde gegevens en de overige gedingstukken is daarvoor geen onderbouwing te vinden. De met de belastingdienst overeengekomen betalingsregeling doet niet af aan de toerekenbaarheid van de betalingsachterstand. De betalingsregeling heeft er immers juist toe geleid dat appellant langer de tijd heeft gehad om aan zijn belastingschuld te voldoen.

4.7.

Appellant heeft voorts gesteld dat de schuldige nalatigheid aan de belastingdienst is te wijten, omdat is nagelaten deze schuld met belastingteruggaven te verrekenen. Deze stelling moet worden verworpen, omdat verrekening van belasting- en premieteruggaven een bevoegdheid is van de belastingdienst, zodat het achterwege blijven van verrekening de Svb niet kan worden toegerekend. Daarbij komt - hetgeen de belastingdienst in zijn brief van

29 november 2007 aan appellant heeft toegelicht - dat de belastingdienst als schuldeiser bevoegd is tot verrekening, maar niet verplicht.

5.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak, wegens strijd met de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb zoals die luidden vóór 1 januari 2013, moet worden vernietigd voor zover daarbij is verzuimd te beslissen over de percentages van de schuldige nalatigheid over de jaren 2002, 2003 en 2004. De besluiten van 7 juli 2011, 13 juli 2011,

18 april 2012 en 25 april 2012 dienen te worden vernietigd voor zover deze de percentages van de schuldige nalatigheid over 2002 en 2003 betreffen. Het beroep tegen deze besluiten dient in zoverre gegrond te worden verklaard. Het beroep gericht tegen het besluit van

7 juli 2011, voor zover daarbij het percentage van de schuldige nalatigheid over 2004 is vastgesteld, het besluit van 19 oktober 2011 en het besluit van 16 mei 2012 moet ongegrond worden verklaard. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

6.

Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 874,- in beroep en op € 1092,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 9,- aan reiskosten in beroep. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is verzuimd te beslissen over de

percentages van de schuldige nalatigheid over de jaren 2002, 2003 en 2004;

- vernietigt de besluiten van 7 juli 2011, 13 juli 2011, 18 april 2012 en 25 april 2012 voor

zover bij deze besluiten de percentages van de schuldige nalatigheid over 2002 en 2003 zijn

vastgesteld;

- verklaart het beroep gericht tegen deze besluiten in zoverre gegrond;

- verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 7 juli 2011, voor zover daarbij het

percentage van de schuldige nalatigheid over 2004 is vastgesteld, het besluit van

19 oktober 2011 en het besluit van 16 mei 2012 ongegrond;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in

totaal € 156,- vergoedt;

- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1975,50.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2013.

(getekend) H.J. Simon

(getekend) M.D.F. de Moor

TM