Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2111

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
22-10-2013
Zaaknummer
12-4904 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht WIA-uitkering. Weliswaar was sprake van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak als in 2008, maar het arbeidsongeschiktheidspercentage bedraagt desalniettemin minder dan 35%. Beperkingen niet onderschat.

Geen twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4904 WIA

Datum uitspraak: 16 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

26 juli 2012, 11/1664 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A. Madern, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Madern. Als tolk was aanwezig A. Sezinbil. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft al jaren last van boezemfibrilleren. Per 25 januari 2007 heeft hij zich ziek gemeld in verband met hartklachten en kortademigheid. Bij besluit van 30 december 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat hij met ingang van
22 januari 2009 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Hieraan lag een medische beoordeling ten grondslag, waarbij de beperkingen van appellant waren neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 november 2008.

1.2. Op 19 augustus 2010 heeft appellant zich opnieuw ziek gemeld met ingang van
5 juli 2010 in verband met hartklachten, naar aanleiding van een bezoek aan de eerste harthulp op 3 juli 2010. Bij besluit van 9 december 2010 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat voor hem geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan met ingang van 5 juli 2010. Hieraan ligt ten grondslag de overweging dat met ingang van 5 juli 2010 weliswaar sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak als in 2008, maar dat het arbeidsongeschiktheidspercentage desalniettemin minder dan 35 bedraagt. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 25 mei 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt de overweging ten grondslag dat de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv, in tegenstelling tot de verzekeringsarts van het Uwv, van mening is dat geen sprake is van toegenomen beperkingen sinds 5 juli 2010.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft hiertoe, kort samengevat, overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts onvolledig of overigens onzorgvuldig is geweest. Evenmin heeft zij aanknopingspunten gezien om te concluderen dat de beperkingen van appellant op de datum in geding zijn onderschat. De bezwaarverzekeringsarts is op basis van de dossierstukken, het besprokene tijdens de hoorzitting en het verrichte medisch onderzoek tot een afgewogen medisch oordeel gekomen. Door appellant zijn geen medische gegevens ingediend die twijfel oproepen aan de juistheid van die medische beoordeling.

3.

In hoger beroep is namens appellant wederom aangevoerd dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van toegenomen beperkingen sinds

5 juli 2010. Appellant heeft vanaf die datum in toenemende mate last van angstklachten, depressieve klachten, slaapproblemen, maagklachten en hartklachten. Al die klachten bij elkaar beperken hem in toenemende mate. Ten onrechte heeft de bezwaarverzekeringsarts opgemerkt dat de hartklachten waarvoor appellant op 3 juli 2010 de eerste harthulp bezocht, mogelijk toe te schrijven zijn aan (te) veel alcoholgebruik. Dit vermoeden van de bezwaarverzekeringsarts was nergens op gebaseerd en onterecht. Ten slotte heeft appellant erop gewezen dat hij nog steeds dezelfde medicijnen gebruikt als in juli 2010, onder andere het medicijn Sotalol, in verband met de hartritmestoornis. Hiertoe heeft hij een medicatieoverzicht van de apotheek, gedateerd 12 augustus 2013, ingediend.

4.

De Raad overweegt het volgende.

4.1.

De rechtbank heeft op juiste wijze de door appellant in eerste aanleg aangevoerde medische gronden beoordeeld en met juistheid te kennen gegeven waarom deze gronden niet slagen. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts afdoende heeft onderbouwd waarom hij aanleiding heeft gezien tot het innemen van een ander standpunt dan de verzekeringsarts. Appellant is op 3 juli 2010 in de namiddag bij de eerste harthulp behandeld door toediening van medicatie, waarna het hartritme weer genormaliseerd is en hij naar huis mocht gaan. Bij de beoordeling in 2008 heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat appellant beperkingen ondervond bij dynamische handelingen en statische houdingen in verband met de hartritmestoornis. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij rapport van

13 mei 2011 uitvoerig toegelicht dat met ingang van 5 juli 2010 geen sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van de medische situatie in 2008. Hierbij heeft hij rekening gehouden met de informatie van cardioloog T.B. Tan van 6 juli 2010. Overigens dient aan de “bespiegelingen” van de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van mogelijk (overmatig) alcoholgebruik als eventuele oorzaak van de op 3 juli 2010 opgetreden hartritmestoornis geen waarde te worden gehecht. Zoals de bezwaarverzekeringsarts zelf ook in zijn rapport opmerkt is deze bespiegeling niet op harde feiten gebaseerd en is deze daarom buiten beschouwing gebleven bij de beoordeling van het geschil. Dergelijke bespiegelingen spelen inderdaad geen rol bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling en horen niet in een verzekeringsgeneeskundig rapport thuis.

4.2.

In hoger beroep heeft appellant geen informatie ingediend die grond oplevert voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts. Het medicatieoverzicht van augustus 2013 doet hieraan niet af. Voor inschakeling van een onafhankelijk deskundige, zoals door appellant verzocht ter zitting, is dan ook geen aanleiding.

4.3.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet.

5.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) I.J. Penning

TM