Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2107

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2013
Datum publicatie
22-10-2013
Zaaknummer
13-1494 BESLU
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Intrekking verzoek tot schadevergoeding omdat overeenstemming is bereikt. Proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 18 oktober 2013

13/1494 BESLU

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21a van de Beroepswet in verband met het verzoek om schadevergoeding van:

Partijen:

[Betrokkene] te [woonplaats](betrokkene)

de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. M.J. Vaessen, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 april 2010, 09/0338, in het geding tussen betrokkene en het Uwv.

Bij uitspraak van 29 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6205, heeft de Raad op dit hoger beroep beslist. Daarbij heeft de Raad, voor zover hier relevant, bepaald dat het onderzoek onder het op het voorblad van deze uitspraak genoemde nummer wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Namens de Staat heeft drs. B.E.J. Klein Schiphorst, werkzaam bij de Raad voor de rechtspraak, bij brief van 18 juni 2013 een uiteenzetting gegeven. Namens betrokkene heeft mr. Vaessen daarop gereageerd met de brief van 15 juli 2013. In deze brief heeft mr. Vaessen te kennen gegeven dat inmiddels vanwege overschrijding van de redelijke termijn een schadevergoeding is vastgesteld van € 500,- in de rechtelijke fase en heeft zij namens betrokkene het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingetrokken, onder gelijktijdig verzoek nog uitspraak te doen over de proceskosten.

De Staat heeft bij brief van 25 juli 2013 gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

2.

Het verzoek tot schadevergoeding is ingetrokken omdat partijen overeenstemming hebben bereikt over het bedrag aan schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

3.

Betrokkene heeft verzocht de Staat te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten met betrekking tot zijn verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad zal op dat verzoek beslissen met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75a van de Awb.

4.

De Raad ziet aanleiding om de Staat te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft moeten maken. Deze proceskosten worden, gezien de samenhang met de uitspraak van 29 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6205, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 236,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Staat in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 236,-.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2013.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) K.E. Haan

GdJ