Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2104

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-10-2013
Datum publicatie
18-10-2013
Zaaknummer
12-2419 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 2 november 2009 heeft appellant de minister verzocht om uitbetaling van de reis- en verblijfkosten die hij tijdens zijn gastmedewerkerschap heeft gemaakt. Bij besluit is dat verzoek afgewezen. De minister heeft op goede gronden het verzoek van appellant afgewezen. Nu geen sprake is geweest van enige concrete en onderbouwde declaratie van reis- en verblijfkosten kwam het verzoek reeds om die reden niet voor honorering in aanmerking. De minister heeft ook in redelijkheid kunnen besluiten dat geen sprake was van bijzondere omstandigheden die tot toepassing van de hardheidsclausule hadden moeten leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2419 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 20 maart 2012, 10/879 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Economische Zaken (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.W.H. Buiting, advocaat. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.P.M. Kousen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was in dienst bij de directie Natuur(beheer) van - laatstelijk - het ministerie van Economische Zaken. Vanaf 1 september 1998 is hij, in verband met een arbeidsconflict, feitelijk gedetacheerd geweest als gastmedewerker bij de Rijksuniversiteit Groningen (RUG). Per 1 april 2009 is hem FPU-ontslag verleend.

1.2. Op 2 november 2009 heeft appellant de minister verzocht om uitbetaling van € 101.750,- aan reis- en verblijfkosten die hij tijdens zijn gastmedewerkerschap heeft gemaakt. Bij besluit van 2 april 2010 is dat verzoek afgewezen.

1.3. Het tegen het besluit van 2 april 2010 gemaakte bezwaar is door de minister bij besluit van 29 november 2010 (bestreden besluit) gegrond verklaard voor zover dit ziet op de kosten van woon- en werkverkeer op één dag per week van 1 september 1998 tot 1 april 2009. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij, kort samengevat, overwogen, dat niet is gebleken dat sprake is geweest van dienstreizen in de zin van het Reisbesluit binnenland (Reisbesluit). Bovendien heeft appellant de gestelde reis- en verblijfkosten niet gespecificeerd en met stukken onderbouwd.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat de rechtbank een rigide en formele benadering heeft gekozen. Ten onrechte is geen aandacht besteed aan de bijzondere omstandigheden van het geval. Daarbij heeft appellant gewezen op het feit dat er in de periode in geding alleen nog maar een uiterst formele relatie bestond tussen appellant en het ministerie. Er was niet of nauwelijks sprake van contacten, en brieven waarbij aandacht werd gevraagd voor de reis- en verblijfskosten werden niet beantwoord. Bovendien veranderden de werkzaamheden van appellant, die veelvuldig veldonderzoek inhielden, na zijn detachering niet wezenlijk. De daarmee gemoeide kosten kon hij voorheen ook achteraf declareren. Niet valt in te zien, waarom deze kosten na zijn detachering niet op dezelfde voet door het ministerie vergoed zouden moeten worden. Appellant acht hierbij van belang, dat hij tijdens zijn detachering ook werkzaamheden heeft verricht waarvan het ministerie heeft geprofiteerd. Ten onrechte is voorts geen aandacht besteed aan de hardheidsclausule die is opgenomen in artikel 16 van het Reisbesluit. Bovendien is ten onrechte alleen aandacht besteed aan binnenlandse reiskosten.

3.2.

De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Dit geschil wordt onmiskenbaar gekleurd door de zeer afstandelijke verstandhouding die in de periode in geding tussen partijen heeft bestaan. De gedingstukken behelzen slechts algemene correspondentie over de vraag of en zo ja, door wie, reis- en verblijfkosten vergoed zouden moeten worden, waarbij het ministerie geregeld brieven over deze materie onbeantwoord heeft gelaten. De minister heeft toegegeven dat deze gang van zaken verkeerd is geweest. Wat wel kan worden vastgesteld is, dat het ministerie zich, voor zover er uitingen van die zijde zijn gedaan, van meet af aan op het standpunt heeft gesteld dat eventuele reis- en verblijfkosten van appellant niet voor rekening van het ministerie zouden komen. Dit is reeds af te leiden uit de concept-detacheringsovereenkomst die het ministerie als uitlenende partij heeft opgesteld. Deze bevat de bepaling dat eventuele reis- en verblijfkosten in het kader van het opgedragen werk voor rekening komen van de RUG.

4.2.

Wat er ook zij van de gebrekkige communicatie tussen partijen over dit onderwerp, de Raad is met de rechtbank van oordeel dat de aanspraak van appellant beoordeeld moet worden in het kader van het Reisbesluit. Het gegeven dat het ministerie nalatig was in het beantwoorden van algemeen gestelde brieven over dit onderwerp, behoefde geen beletsel te vormen voor appellant om concrete declaraties in te dienen en langs die weg voor bezwaar en beroep vatbare besluiten uit te lokken. Bij onverhoopt uitblijven van een beslissing, had appellant tegen dat uitblijven kunnen opkomen. Dat appellant niet beschikte over declaratieformulieren behoefde geen beletsel zijn om een vormvrije aanvraag te doen. Ook het gegeven dat appellant in deze periode door privézorgen in beslag werd genomen doet niet af aan zijn eigen verantwoordelijkheid hiervoor. Bovendien beschikte appellant over rechtskundige bijstand, zoals onder meer blijkt uit een brief van zijn toenmalige gemachtigde van 1 april 2005.

4.3.

De minister heeft op goede gronden het verzoek van appellant afgewezen. Nu geen sprake is geweest van enige concrete en onderbouwde declaratie van reis- en verblijfkosten kwam het verzoek reeds om die reden niet voor honorering in aanmerking. De minister heeft ook in redelijkheid kunnen besluiten dat geen sprake was van bijzondere omstandigheden die tot toepassing van de hardheidsclausule hadden moeten leiden. Het niet onderbouwde beroep dat appellant nog heeft gedaan op het Reisbesluit buitenland faalt eveneens, alleen al omdat ook voor vergoeding volgens dat besluit geldt dat sprake moet zijn van een declaratie.

4.4.

Ten slotte moet ook het verzoek om schadevergoeding, dat appellant in hoger beroep heeft gedaan, als ongegrond worden afgewezen.

5.

Voor een proceskostenvergoeding is geen grond aanwezig.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2013.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) B. Rikhof

HD