Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2103

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-10-2013
Datum publicatie
18-10-2013
Zaaknummer
12-755 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft de korpschef de tijdelijke aanstelling van appellant beëindigd. Hieraan ligt ten grondslag dat twijfel is ontstaan aan de betrouwbaarheid en integriteit van appellant, waardoor is geconcludeerd dat hij niet beschikt over de juiste mentaliteit en eigenschappen om een goed politieambtenaar te kunnen worden. Appellant had kunnen en behoren te weten dat hij het direct zelf moest melden als hij in aanraking kwam met de politie, ook als er geen sprake was van een strafbaar feit. De korpschef heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellant niet heeft voldaan aan de redelijkerwijs te stellen eisen en verwachtingen en dat hij daar ook niet binnen afzienbare tijd alsnog aan zou kunnen voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/755 AW

Datum uitspraak: 17 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van

21 december 2011, 11/2087 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Korpsbeheerder van de politieregio [naam regio],

thans: de Korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. de Vries, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Vries. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E. Nijhof, advocaat, en G.L.J.M.[K.].

OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio [naam regio], op naam van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

1.2. Appellant is met ingang van 3 november 2008 aangesteld als ambtenaar van politie in tijdelijke dienst voor de duur van één jaar, in de functie van voorschakelleerling bij bureau Opleiden van de politieregio [naam regio].

1.3. Op 11 januari 2009 heeft de politie Zaanstreek-Waterland huiszoeking gedaan naar verboden munitiebezit in de woning van appellant in [woonplaats]. Daarbij is geen munitie gevonden. Op 26 januari 2009 is appellant begonnen met een stage van drie maanden bij bureau [naam bureau] van de regiopolitie [naam regio]. Hij heeft geen melding gemaakt van de huiszoeking. Toen bleek dat appellant in de regio waar hij woonde voorkwam in de politieregisters en men bij bureau [naam bureau] bekend werd met de huiszoeking, hebben

[naam chef], chef van de afdeling Werving en selectie van politie [naam regio] en

[naam selectieadviseur], selectieadviseur bij politie [naam regio], op 5 februari 2009 een gesprek gehad met appellant. In dat gesprek is hem een paar keer gevraagd of hij contacten met de politie had gehad. Ook toen heeft appellant de huiszoeking niet gemeld. Ook niet nadat was uitgelegd wat wordt verstaan onder “contact met de politie”. Toen hij werd geconfronteerd met de huiszoeking op 11 januari 2009, heeft appellant gezegd dat hij dit bewust niet had verteld en dat hij meende dat de zaak was afgedaan door een gesprek met[d. W.] van politie [woonplaats]. Appellant is naar huis gestuurd. Na een aanvankelijke weigering op advies van zijn advocaat om in een vervolggesprek op 11 februari 2009 nadere informatie te verstrekken, heeft appellant in een e-mailbericht van 11 februari 2009 alsnog de gevraagde openheid van zaken gegeven.

1.4. Na het voornemen daartoe, heeft de korpschef de tijdelijke aanstelling van appellant bij besluit van 29 mei 2009, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 24 januari 2011, met ingang van 3 augustus 2009 beëindigd. Hieraan ligt ten grondslag dat twijfel is ontstaan aan de betrouwbaarheid en integriteit van appellant, waardoor is geconcludeerd dat hij niet beschikt over de juiste mentaliteit en eigenschappen om een goed politieambtenaar te kunnen worden.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit wegens overschrijding van de redelijke termijn gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gebleven. Hij heeft aangevoerd dat aan een voorschakelleerling niet te hoge verwachtingen kunnen worden gesteld, omdat het voorschakeljaar nu juist is bedoeld om leerlingen die nog niet aan de instroomeisen voldoen de gelegenheid te bieden die te ontwikkelen. Appellant heeft niet betwist dat integriteit in het voorschakelklasje aan de orde is geweest, maar dacht dat hij alleen strafbare feiten behoefde te melden.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 90, negende lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, kan aan de ambtenaar in tijdelijke dienst ontslag worden verleend met ingang van de dag, gelegen binnen de bepaalde tijd.

4.2.

Bij een tussentijdse beëindiging van een tijdelijke aanstelling is de rechterlijke toetsing beperkt tot de vraag of het bestuursorgaan in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de betrokken ambtenaar niet heeft voldaan aan de redelijkerwijs te stellen eisen en/of verwachtingen en ook niet te verwachten viel dat hij voor het einde van de aanstelling alsnog aan die eisen en/of verwachtingen zou voldoen.

4.3.

Het voorschakeltraject was er onder meer op gericht om mensen afkomstig uit een andere cultuur bewust te maken van wat er van de politie in de Nederlandse maatschappij wordt verwacht en geschikt te maken voor het volgen van de politieopleiding. Blijkens de verklaringen over het voorschakeltraject [v. G. 1] en [v. G. 2] ter zitting van de rechtbank en van[K.] ter zitting van de Raad, is ook in de eerste drie maanden van het voorschakeljaar ruim aandacht besteed aan integriteit. Verder heeft appellant al gedurende de sollicitatieprocedure op 1 september 2008 en op 25 september 2008 verklaringen ondertekend waarin hij onder meer het belang van integriteit erkent en verklaart het onmiddellijk te zullen melden als hij - onverhoopt - tijdens de sollicitatieprocedure met politie/justitie in aanraking komt. Hier komt nog bij dat voorafgaand aan de aanstelling van appellant met hem is gesproken over 23 incidenten die op zijn naam stonden en dat hij desondanks is aangenomen omdat hij bij die incidenten de lijdende partij was.

4.4.

Appellant had dus kunnen en behoren te weten dat hij het direct zelf moest melden als hij in aanraking kwam met de politie, ook als er geen sprake was van een strafbaar feit.

4.5.

Toch heeft appellant de huiszoeking - een ingrijpend contact met de politie ook al bleek het (uiteindelijk) niet te gaan om een strafbaar feit - niet direct zelf gemeld; ook niet desgevraagd in het gesprek van 5 februari 2009 en zelfs niet na uitleg over wat onder “contact met de politie” wordt verstaan. Hij heeft de huiszoeking pas erkend toen hem bleek dat de korpschef daarvan op de hoogte was. Hierdoor is de conclusie gerechtvaardigd dat appellant niet beschikt over de juiste mentaliteit en eigenschappen die aan een (aankomend) politieambtenaar kunnen worden gesteld. De korpschef heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellant niet heeft voldaan aan de redelijkerwijs te stellen eisen en verwachtingen en dat hij daar ook niet binnen afzienbare tijd alsnog aan zou kunnen voldoen.

4.6.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2013.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) B. Rikhof

HD