Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2094

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
12-6452 Wajong
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 14 september 2010 heeft appellant opnieuw een aanvraag tot toekenning van een Wajong-uitkering bij het Uwv ingediend. Bij besluit van 4 oktober 2010 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de aanvraag als een verzoek om terug te komen van de eerdere besluiten wordt aangemerkt. Vervolgens heeft het Uwv appellant meegedeeld dat, nu niet gebleken is van nieuwe feiten of omstandigheden, niet wordt teruggekomen van het gestelde in de eerdere besluiten. Het Uwv had, naar het oordeel van de rechtbank, moeten onderzoeken of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong (Wet Amber). Bij bestreden besluit van 14 maart 2012 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij geen recht kan claimen op toekenning van een Wajong-uitkering op grond van de Wet Amber. Ter zitting van de Raad is namens appellant gesteld dat de omvang van het geding zich beperkt tot het door de rechtbank ongegrond verklaren van het beroep tegen het besluit van 14 maart 2012. De Raad is van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet ingevolge artikel 3:21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Wajong, in aanmerking komt voor een uitkering omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde van het per einde wachttijd ongeschikt zijn voor het verrichten van zijn arbeid. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat in het geval van appellant de in 2000 voor hem passend geachte functies aangemerkt dienen te worden als zijn arbeid, zoals bedoeld in het eerder genoemde artikel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6452 Wajong

Datum uitspraak: 9 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

25 oktober 2012, 11/908 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J. Manspeaker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van een bezwaarverzekeringsarts ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2013. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft op 25 april 2000, wegens sinds zijn geboorte op 19 september 1980 bestaande arbeidsongeschiktheid, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd. Deze aanvraag is door het Uwv afgewezen bij besluit van 13 juli 2000. Dit besluit is mede gebaseerd op het rapport van een arbeidsdeskundige van 11 juli 2000.

1.2. Op 18 mei 2008 heeft appellant wederom een Wajong-uitkering aangevraagd. Deze aanvraag is door het Uwv beschouwd als een verzoek om terug te komen van het besluit van 13 juli 2000. Dit verzoek heeft het Uwv bij besluit van 27 mei 2008 afgewezen vanwege het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

1.3. Op 14 september 2010 heeft appellant opnieuw een aanvraag tot toekenning van een Wajong-uitkering bij het Uwv ingediend. Beoordeling door de verzekeringsarts heeft tot het standpunt geleid dat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd. Bij besluit van

4 oktober 2010 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de aanvraag van 14 september 2010 ook als een verzoek om terug te komen van de eerdere besluiten wordt aangemerkt. Vervolgens heeft het Uwv appellant meegedeeld dat, nu niet gebleken is van nieuwe feiten of omstandigheden, niet wordt teruggekomen van het gestelde in de eerdere besluiten.

1.4. Het tegen het besluit van 4 oktober 2010 gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 26 januari 2011 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van bezwaarverzekeringsarts S.R. Hofman van 24 januari 2011 ten grondslag.

2.1. Bij tussenuitspraak van 22 december 2011 heeft de rechtbank overwogen dat zij met het Uwv van oordeel is dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren zijn gebracht die een ander licht werpen op appellants medische situatie per 18 september 1998. Het Uwv was bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met verwijzing naar de eerdere besluiten.

2.2. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank echter ten onrechte nagelaten om appellants aanvraag mede te beschouwen als een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een medische verslechtering na 13 juli 2000. Het Uwv had, naar het oordeel van de rechtbank, moeten onderzoeken of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong (Wet Amber). Het Uwv is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om dit geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

2.3. Bij beslissing op bezwaar van 14 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij geen recht kan claimen op toekenning van een Wajong-uitkering op grond van de Wet Amber. Aan dit besluit ligt een rapport van verzekeringsarts

A. van der Loos-Nijman van 15 februari 2012 ten grondslag.

2.4.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het besluit van 14 maart 2012 aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb en het beroep, nu het besluit van 14 maart 2012 niet geheel tegemoet komt aan de bezwaren van appellant, ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede gericht geacht tegen het besluit van

14 maart 2012.

2.4.2. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek in het besluit van 26 januari 2011 heeft hersteld. Voorts heeft de rechtbank, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad van onder meer

1 juni 2011 (LJN BQ7319), overwogen dat het Uwv in het besluit van 14 maart 2012 terecht heeft bepaald dat appellant geen recht heeft op toekenning van een Wajong-uitkering op grond van de Wet Amber. Appellant voldoet niet aan de in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong genoemde voorwaarde van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid aan het einde van de wachttijd.

2.4.3. De rechtbank heeft tot slot aanleiding gezien het beroep tegen het besluit van 26 januari 2011 gegrond te verklaren en het besluit te vernietigen met instandlating van de rechtsgevolgen. Het beroep, gericht tegen het besluit van 14 maart 2012, heeft de rechtbank ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellant met name aangevoerd dat bij besluit van 14 maart 2012 ten onrechte de aanvraag om een uitkering ingevolge de Amber-bepaling van de Wajong is afgewezen. Voorts stelt appellant dat uit de uitspraak niet blijkt dat de rechtbank zich een oordeel heeft gevormd over de motivering van dit besluit. Evenmin heeft de rechtbank gemotiveerd waarom het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Tevens is appellant van mening dat het Uwv een verkeerde toepassing heeft gegeven aan artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong.

3.2. Het Uwv heeft in hoger beroep verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts van

15 februari 2012, waaruit blijkt dat onderzoek is gedaan ter beantwoording van de vraag of er sprake is van toegenomen beperkingen door dezelfde oorzaak binnen vijf jaar na de eerdere afwijzing. Voorts heeft het Uwv in hoger beroep een rapport van de bezwaarverzekeringsarts overgelegd. Tot slot stelt het Uwv dat de rechtbank in rechtsoverweging. 2.3 wel degelijk een oordeel heeft gegeven over het in het kader van het besluit van 14 maart 2012 opgemaakte verzekeringsgeneeskundig rapport en de motivering van het besluit.

4.1. Bij wet van 3 december 2009 (Stb. 2009, 580) is de Wajong met ingang van 1 januari 2010 gewijzigd. De bepalingen van de Wajong, zoals deze luidden voor 1 januari 2010, zijn daarbij ondergebracht in hoofdstuk 3 en de citeertitel van de wet is gewijzigd in Wet Wajong (werk en arbeidsondersteuning jong gehandicapten). Nu de aanvraag van appellant ziet op zijn aanspraak op een Wajong-uitkering in een tijdvak vóór 1 januari 2010 en het Uwv op de aanvraag heeft beslist ná 1 januari 2010, moet het geschil beoordeeld worden aan de hand van de bepalingen van hoofdstuk 3 van de Wet Wajong.

4.2. Ter zitting van de Raad is namens appellant gesteld dat de omvang van het geding zich beperkt tot het door de rechtbank ongegrond verklaren van het beroep tegen het besluit van

14 maart 2012.

4.3. In artikel 3:21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Wajong is het volgende bepaald:

“Indien de jonggehandicapte:

a. […]

b. die aan het einde van de wachttijd, bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling, maar geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was; binnen vijf jaar na de datum van die intrekking dan wel binnen vijf jaar na het bereiken van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten dan wel als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling voortkomt, vindt toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.”

4.4. De Raad stelt vast dat appellant aan het einde van de wachttijd niet ongeschikt was voor zijn arbeid. Met de aan het besluit van 13 juli 2000 ten grondslag gelegde functies was hij immers in staat om ten minste het minimumloon te verdienen, waaruit volgt dat hij geschikt was voor de maatmanarbeid. De Raad is van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet ingevolge artikel 3:21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Wajong, in aanmerking komt voor een uitkering omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde van het per einde wachttijd ongeschikt zijn voor het verrichten van zijn arbeid. De Raad verwijst in dit verband, naast de in 2.4.2 genoemde door de rechtbank aangehaalde uitspraak, naar zijn uitspraak van 18 november 2009 (LJN BK3730).

4.5. Het standpunt van appellant, dat het Uwv een verkeerde toepassing heeft gegeven aan artikel 3:21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Wajong, deelt de Raad niet. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat in het geval van appellant de in 2000 voor hem passend geachte functies aangemerkt dienen te worden als zijn arbeid, zoals bedoeld in het eerder genoemde artikel.

4.6. Evenmin wordt het standpunt van appellant, dat de aangevallen uitspraak een deugdelijke motivering ontbeert, gevolgd. Onder rechtsoverweging 2.3 heeft de rechtbank, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad, inzichtelijk gemotiveerd waarom het beroep tegen het besluit van 14 maart 2012 niet slaagt.

4.7. Uit het overwogene onder 4.1 tot en met 4.6 volgt dat geoordeeld moet worden dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak dient derhalve, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

5.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2013.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) E. Heemsbergen

JL