Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2082

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
12-3210 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft bij besluit vastgesteld dat voor appellante geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank heeft terecht geen reden gezien om te concluderen dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest of dat de vastgestelde beperkingen van appellante voor onjuist moeten worden gehouden. Uitgaande van de juistheid van de in de FML vastgelegde beperkingen heeft de rechtbank terecht geen twijfel over het oordeel van de bezwaararbeidsdeskundige over de medische geschiktheid van de geduide functies. De bezwaarverzekeringsarts heeft de conclusie kunnen trekken dat de in hoger beroep ingezonden medische gegevens geen nieuwe gezichtspunten bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3210 WIA

Datum uitspraak: 16 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 april 2012, 11-4010 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.O. Wattilete, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2013.

Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 9 maart 2009 wegens hoofdpijn, nek- en schouderklachten uitgevallen uit haar werk als administratief medewerkster voor 32 uur per week.

1.2. In lijn met de uitkomsten van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 31 januari 2011 vastgesteld dat voor appellante met ingang van 7 maart 2011 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk in inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3. Bij besluit van 28 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 31 januari 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dat besluit liggen ten grondslag een medische rapportage van bezwaarverzekeringsarts J. Coehoorn van

3 maart 2011 en een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige R. Klijzing van

27 juni 2011.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen reden gezien te concluderen dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts, in navolging van de verzekeringsarts, in beroep afdoende toegelicht dat er ook zonder lichamelijk onderzoek van appellante door de verzekeringsarts en zonder het opvragen van informatie uit de behandelende sector voldoende duidelijkheid was over de diabetes, bloeddruk en psychische klachten van appellante om op verantwoorde wijze een inschatting van haar belastbaarheid te kunnen maken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de vastgestelde beperkingen van appellante voor onjuist te houden.

2.2. Uitgaande van de juistheid van de in de Functionele Mogelijkhedenlijst vastgelegde beperkingen heeft de rechtbank geen twijfel over het oordeel van de bezwaararbeidsdeskundige over de medische geschiktheid van de geduide functies. De medische geschiktheid van de geduide functies is door de bezwaararbeidsdeskundige voldoende en verifieerbaar toegelicht. In het laatste rapport van 2 november 2011 heeft de bezwaararbeidsdeskundige nog een nadere toelichting gegeven wat betreft het gestelde opleidingsniveau en de vaststelling van het maatmaninkomen. Mede in aanmerking genomen dat appellante niet heeft gereageerd op het rapport van 2 november 2011, acht de rechtbank deze aspecten thans afdoende toegelicht.

3.

In hoger beroep heeft appellante in essentie haar gronden in beroep herhaald. Bij brief van 23 augustus 2013 heeft zij nog in het geding gebracht een recente uitdraai van alle uitslagen van de huisarts ter onderbouwing van haar stelling dat haar bloeddruk nog steeds gevaarlijk hoog is. Met betrekking tot haar psychische klachten heeft appellante ingezonden een Behandelvoorstel Indigo van 12 augustus 2009 en een evaluatie van deze behandeling van

26 november 2009, gericht aan haar huisarts. In deze evaluatie wordt geconcludeerd dat de behandeldoelen geheel zijn gehaald en dat de aanmeldklachten volledig in remissie zijn.

4.1.

De Raad verenigt zich volledig met het oordeel van de rechtbank en met de daaraan door haar ten grondslag gelegde overwegingen. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd en aan stukken heeft ingediend wordt daaraan nog het volgende toegevoegd.

4.2.

De bezwaarverzekeringsarts heeft bij monde van de vertegenwoordiger van het Uwv ter zitting meegedeeld dat de in hoger beroep ingezonden medische gegevens niet leiden tot een verandering in het eerder ingenomen standpunt.

De gegevens met betrekking tot de wisselende bloeddrukwaarden zijn in de beoordeling betrokken en de stukken met betrekking tot de psychische klachten van appellante zien niet op de datum in geding, 7 maart 2011. De bezwaarverzekeringsarts heeft dan ook de conclusie kunnen trekken dat de in hoger beroep ingezonden medische gegevens geen nieuwe gezichtspunten bieden. Dat betekent dat ook appellantes pleidooi om tot het aannemen van meer beperkingen te komen niet alsnog met objectief medische gegevens is onderbouwd.

4.3.

Gelet op het in 4.1 en 4.2 overwogene slaagt het hoger beroep niet.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van

J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

16 oktober 2013.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) J.C. Hoogendoorn

JL