Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2081

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
12-2024 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet WIA heeft het Uwv bij besluit vastgesteld dat voor appellant recht op een loongerelateerde WGA-uitkering is ontstaan. In geschil is nog enkel of het vorderbare loon “niet tevens inbaar is geworden” zoals bedoeld in artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen. Het Uwv is bij de berekening van het dagloon terecht uitgegaan van het loon dat appellant volgens opgave van zijn werkgever in het refertejaar daadwerkelijk heeft genoten.

Wetsverwijzingen
Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen
Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/355

Uitspraak

12/2024 WIA

Datum uitspraak: 16 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

1 maart 2012, 10/681 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Griede, kantoorgenoot van mr. Dieters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong. Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Desgevraagd hebben het Uwv en appellant schriftelijke inlichtingen verstrekt.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 4 september 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dieters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1. Op de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 7 januari 2010 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 23 maart 2010 recht op een loongerelateerde WGA-uitkering (LGU) is ontstaan. Het dagloon op grond waarvan de hoogte van de LGU wordt berekend, heeft het Uwv vastgesteld op € 69,19. Bij besluit van 2 maart 2010 heeft het Uwv het dagloon nader vastgesteld op € 103,43.

1.2. Het Uwv heeft het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 7 januari 2010 mede gericht geacht tegen het besluit van 2 maart 2010 en dit bezwaar bij besluit van

24 juni 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Over de hoogte van het dagloon heeft de rechtbank als volgt overwogen. Niet in geschil is dat het refertejaar loopt van 15 juni 2007 tot en met

29 februari 2008. Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of een door appellant in maart 2008 ontvangen ploegentoeslag van 30% in de referteperiode wel vorderbaar, maar niet inbaar was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant er niet in is geslaagd aan te tonen dat de toeslag in het refertejaar vorderbaar, maar niet inbaar was.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat het Uwv bij het berekenen van zijn dagloon ten onrechte geen rekening heeft gehouden met loonbestanddelen, die het Uwv in zijn hoedanigheid van opvolgend werkgever bij het bepalen van de hoogte van zijn zogenoemde faillissementsuitkering als bedoeld in hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) wel overneemt. Meer concreet heeft appellant aangevoerd dat het Uwv ten onrechte vier aan zijn salarisstroken van de maanden maart en mei 2008 te ontlenen bedragen aan loon (totaal

€ 1.392,34) niet heeft betrokken in de dagloonberekening.

3.2.

Het Uwv heeft aangevoerd dat voor het bepalen van de hoogte van een faillissementsuitkering op grond van artikel 67 van de WW een wezenlijk andere beoordelingskader geldt dan voor het bepalen van het dagloon als bedoeld in artikel 13 van de Wet WIA. Nu bij de vaststelling van de faillissementsuitkering van appellant de toeslag is overgenomen, erkent het Uwv dat er een aanspraak op die toeslag heeft bestaan. Maar niet is gebleken dat appellant tijdens het refertejaar werkgever heeft verzocht om betaling van toeslag, zodat niet is aangetoond dat het vorderbare loon niet inbaar was in het refertejaar.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals uit artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 2, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit) blijkt, is uitgangspunt bij de vaststelling van het dagloon waarnaar een uitkering op grond van de Wet WIA wordt berekend, het loon dat de verzekerde volgens opgave van zijn werkgever in het refertejaar daadwerkelijk heeft genoten.

4.2.

Het vierde lid van artikel 2 van het Besluit maakt evenwel een uitzondering op het in 4.1 genoemde uitgangspunt in die zin dat onder loon mede wordt begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Het gaat hierbij om situaties waarin recht op loon bestaat, maar dat loon (nog) niet inbaar is omdat bij de werkgever de wil of het betalingsvermogen ontbreekt om het loon op verzoek van de werknemer uit te betalen. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld

(CRvB 23 maart 2012, LJN BV9859) is voor toepassing van dit artikellid voldoende dat een belanghebbende aantoont dat hij op niet mis te verstane wijze de werkgever heeft gemaand het vorderbare loon aan hem uit te keren.

4.3.

Niet in geschil is dat het Uwv bij de berekening van het dagloon heeft meegenomen al het loon dat appellant volgens opgave van zijn werkgever in het refertejaar daadwerkelijk heeft genoten. Tussen partijen is ook niet (langer) in geschil dat werkgever aan appellant een toeslag verschuldigd was voor het werken in ploegendienst en dat deze toeslag in het refertejaar als loon vorderbaar was. In geschil is nog enkel of dit vorderbare loon “niet tevens inbaar is geworden” zoals bedoeld in artikel 2, vierde lid, van het Besluit.

4.4.

Appellant heeft niet aangetoond dat hij op niet mis te verstane wijze de werkgever heeft gemaand het vorderbare loon aan hem uit te keren. De enkele, niet onderbouwde stelling dat appellant “werkgever van meet af aan verbaal is gaan aanmanen” is hiertoe onvoldoende. De omstandigheid dat werkgever appellant na de referteperiode een bedrag van in totaal

€ 1.392,34 heeft betaald, nog daargelaten de vraag op welke loonvorderingen dit bedrag betrekking heeft, betekent nog niet hieraan een niet mis te verstane aanmaning van appellant vooraf is gegaan. Appellant heeft nog gewezen op een brief van 2 juli 2008, opgesteld door mr. J. Postma van het Juridisch loket en door hem ondertekend. Deze brief betreft echter een sommatie van werkgever tot betaling van achterstallig loon over een periode vanaf

26 maart 2008 en dus niet het vorderbare loon in de referteperiode. Deze brief kan daarom niet bijdragen tot het bewijs dat het vorderbare loon niet tevens inbaar is geworden. Het Uwv is bij de berekening van het dagloon dan ook terecht uitgegaan van het loon dat appellant volgens opgave van zijn werkgever in het refertejaar daadwerkelijk heeft genoten.

4.5.

Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en M. Greebe en

C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) Z. Karekezi

CVG