Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2075

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
12-322 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van heeft het Uwv geweigerd om appellante met ingang van 9 december 2008 een uitkering op grond van de Wet WIA toe te kennen, aangezien geen sprake is van arbeidsongeschiktheid wegens eenzelfde ziekteoorzaak als die waardoor zij eerder 104 weken arbeidsongeschikt is geweest. Daarnaast heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 27 december 2010 geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering, aangezien zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat er geen reden was om het medische onderzoek onjuist of onzorgvuldig te achten. Ook was er geen reden om te oordelen dat de medische beperkingen van appellante niet juist zijn vastgelegd in de FML. Op grond van het geheel van voorliggende gegevens van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem, in samenhang met de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten, is voldoende inzichtelijk en toetsbaar onderbouwd dat de als grondslag voor de schatting in aanmerking genomen functies ook werkelijk geschikt zijn te achten voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/322 WIA

Datum uitspraak: 16 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

14 december 2011, 11/5977 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te[woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H. Samama, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 4 september 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Samama. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet op

29 december 2008 ziek gemeld vanwege linkerbeenklachten en psychische klachten. Bij besluit van 23 februari 2011 heeft het Uwv geweigerd om appellante met ingang van

29 december 2009 (lees: 2008) een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, aangezien geen sprake is van arbeidsongeschiktheid wegens eenzelfde ziekteoorzaak als die waardoor zij eerder 104 weken arbeidsongeschikt is geweest. Daarnaast heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 27 december 2010 geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering, aangezien zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2. Bij besluit van 1 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante wat betreft beide data ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is het rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 22 juni 2011 ten grondslag gelegd.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank was er geen reden om het medische onderzoek onjuist of onzorgvuldig te achten. Ook was er geen reden om te oordelen dat de medische beperkingen van appellante niet juist zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een onafhankelijke psychiater in te schakelen, omdat appellante geen medische informatie heeft ingebracht die daartoe aanleiding geeft. Tot slot was de rechtbank van oordeel dat door het Uwv afdoende was gemotiveerd dat de functie van inpakker koekjes de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.

3.

Appellante heeft - desgevraagd ter zitting - te kennen gegeven dat het hoger beroep alleen betrekking heeft op de datum in geding van 27 december 2010. Zij heeft verwezen naar de in de bezwaarprocedure en in beroep door haar naar voren gebrachte gronden. Deze komen er

- samengevat - op neer dat zij volledig arbeidsongeschikt is als gevolg van haar psychische beperkingen en dat zij de geduide functies niet kan verrichten, omdat de belasting daarvan te zwaar voor haar is.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel over de aangevoerde beroepsgronden. Net zo min als in beroep heeft appellante in hoger beroep objectieve medische gegevens ingebracht die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid, zoals die zijn neergelegd in de FML. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben in de psychische klachten van appellante aanleiding gezien haar beperkt te achten in haar persoonlijk en sociaal functioneren en zij hebben ook te kennen gegeven dat appellante

ʼs avonds en ʼs nachts niet kan werken. De verzekeringsartsen hebben bij de bepaling van de beperkingen van appellante de informatie betrokken van de behandelend psychiater van appellante van 18 juni 2009 en van de huisarts van 31 mei 2011. Daarbij heeft meegewogen dat herhaald verzoek om nadere informatie bij de behandelend psychiater van appellante onbeantwoord bleef.

4.2.

Appellante heeft de Raad verzocht om een deskundige te benoemen voor een nader psychiatrisch onderzoek. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 is daarvoor geen aanleiding.

4.3.

Op grond van het geheel van voorliggende gegevens van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem, in samenhang met de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten, is voldoende inzichtelijk en toetsbaar onderbouwd dat de als grondslag voor de schatting in aanmerking genomen functies ook werkelijk geschikt zijn te achten voor appellante. Op basis van het rapport van de arbeidsdeskundige is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 27 december 2010 terecht vastgesteld naar de klasse van minder dan 35%.

5.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) M.P. Ketting

HD