Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2072

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
11-6693 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft bij besluit aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 7 februari 2011 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. Er bestaat onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts(en) onvoldoende zorgvuldig is geweest dan wel de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. De stelling van appellant dat zijn eigen werk te belastend voor hem zou zijn kan niet worden gevolgd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6693 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van

11 oktober 2011, 11/1991 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn echtgenote, [naam echtgenote], het hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 10 september 2012 heeft de Raad partijen bericht dat hij een neuroloog als deskundige zal benoemen en de voorgenomen vraagstelling aan hen voorgelegd.

Het Uwv heeft verklaard geen commentaar te hebben op de voorgenomen vraagstelling.

Appellant heeft aangegeven het niet eens te zijn met de voorgenomen vraagstelling en heeft nog nadere stukken overgelegd.

Op 28 november 2012 heeft de Raad een comparitie gehouden, waar appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote.

Bij brief van 14 december 2012 heeft de Raad de aangepaste tekst van de voorgenomen vragen wederom voorgelegd aan partijen.

Het Uwv heeft verklaard geen commentaar te hebben op de aangepaste vraagstelling.

Appellant heeft aanvullend commentaar ingediend.

Bij brief van 24 januari 2013 heeft de Raad dr. J.W. Stenvers, neuroloog, benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek in het onderhavige geding.

Appellant is uitgenodigd voor onderzoek door de deskundige op 8 april 2013. Bij brief van de Raad van 22 maart 2013 is appellant gewezen op de verplichting, neergelegd in artikel 8:30 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), om mee te werken aan het onderzoek.

Bij brief van 23 maart 2013 heeft appellant verzocht de afspraak op 8 april 2013 af te zeggen vanwege een medische calamiteit.

Bij brief van 3 april 2013 heeft de Raad een reactie gegeven op het verzoek tot afzegging.

Bij brief van 19 augustus 2013 heeft appellant nog nadere stukken overgelegd.

Het Uwv heeft in reactie op de nadere stukken een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 29 augustus 2013 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellant heeft zich op 3 mei 2010 ziek gemeld voor zijn werk als allround installatiemonteur/kabelmonteur voor 40 uur per week bij[naam werkgever], in verband met de gevolgen van een hem op 18 maart 2010 overkomen bedrijfsongeval. Naar aanleiding van deze melding is op 2 december 2010 nader medisch onderzoek verricht door een verzekeringsarts, die op 31 januari 2011 medische informatie van de huisarts van appellant heeft ontvangen, de uitslag van het radiologisch onderzoek heeft beoordeeld en vervolgens heeft geconcludeerd dat hij geen aanleiding ziet tot het voortzetten van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Ziektewet (ZW). In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 3 februari 2011 aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 7 februari 2011 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. Bij besluit van 14 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 februari 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt het rapport van een bezwaarverzekeringsarts van (eveneens)

14 maart 2011 ten grondslag.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen (waarbij appellant is aangeduid als eiser):

“Naar het oordeel van de rechtbank bestaat onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts(en) onvoldoende zorgvuldig is geweest dan wel de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. De verzekeringsartsen hebben zich een beeld kunnen vormen van de medische situatie van eiser op basis van dossierstudie en door het doen van eigen onderzoek. De primaire verzekeringsarts heeft eiser op het spreekuur gezien en de aanwezige medische gegevens meegewogen. De bezwaarverzekeringsarts heeft de dossiergegevens bestudeerd en eiser op het spreekuur gezien. Na kennisneming van de (nadere) medische informatie van de behandelend sector (radioloog, neuroloog) heeft de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd uiteengezet dat het aannemelijk is dat en waarom eiser in staat moet worden geacht zijn werk te verrichten. Zo stelt de bezwaarverzekeringsarts dat de onderzoeksresultaten er op wijzen dat geen sprake is van een specifieke laesie aan de thoracale wervels. Er is sprake van lichte degeneratieve afwijkingen en slagpijn, volgens hem nietszeggende bevindingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft ook kennisgenomen van de meest recente MRI en geconcludeerd dat de aanwezigheid van een kleine hernia geen reden geeft tot herziening van het medisch oordeel, nu er geen sprake is van uitvalsverschijnselen. De rechtbank acht deze motivering voldoende overtuigend. Hetgeen eiser daartegen in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

De stelling van eiser dat zijn eigen werk te belastend voor hem zou zijn kan de rechtbank niet volgen. De belastingen van de bedongen arbeid zijn in de beoordeling betrokken. Er ligt een onderzoek van een arbeidskundige. De uiteindelijke (medische) conclusie is en blijft dat er geen (objectieve) afwijkingen zijn vastgesteld die de pijnklachten kunnen verklaren. De uitslag van de laatste MRI kan daarin geen verandering brengen. Gelet hierop moet eiser geacht worden zijn eigen werk nog steeds te kunnen verrichten.”

3.

In hoger beroep heeft appellant (samengevat) gesteld dat de rechtbank in overweging 2.9 ten onrechte de arbeid van appellant heeft aangeduid als ‘verkoper verzekeringen’ en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv zorgvuldig heeft gehandeld.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan het laatstelijk voor het intreden van de ongeschiktheid tot werken verrichte werk. In het onderhavige geval is dit het werk van appellant als allround installatiemonteur/kabelmonteur voor 40 uur per week.

4.2.

Nu appellant na daartoe te zijn opgeroepen niet is verschenen voor onderzoek door deskundige Stenvers en voor dit niet verschijnen geen medische verklaring heeft overgelegd, zal de Raad de zaak beoordelen op grond van de thans voorliggende stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht.

4.3.

De rechtbank heeft in overweging 2.1 gesteld dat appellant voorafgaand aan de uitval werkzaam was als kabelmonteur (voor 40 uur per week) en verwijst in overweging 2.11 naar het onderzoek van een arbeidsdeskundige waarin het werk van appellant is beschreven. Daaruit blijkt naar het oordeel van de Raad genoegzaam dat de rechtbank een juist beeld van de arbeid van appellant bij haar beoordeling had. De vermelding ‘verkoper verzekeringen’ in overweging 2.9 wordt gezien als een kennelijke verschrijving, waaraan de Raad geen consequenties zal verbinden.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel. De Raad stelt zich achter de reactie van de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 13 december 2011, waar deze vermeldt dat een Nederlandse MRI ten tijde in geding geen herniatie heeft aangetoond, hooguit sprake is van lichte degeneratieve afwijkingen, te weten dehydratatie. De neuroloog geeft verder aan dat er uit onderzoek geen aanwijzingen naar voren komen dat er sprake is van een verminderde belastbaarheid. De angst voor scheuring van de discuskern en uitvalverschijnselen is dan ook ongegrond. Verder geeft de neuroloog aan dat zwaar werk tot pijnklachten kan leiden, maar dat is iets anders dan dat dit tot schade leidt en pijn zelf is geen reden voor aannemen van arbeidsongeschiktheid. De door appellant overgelegde informatie van de behandelend fysiotherapeut van 10 mei 2013 heeft betrekking op de periode vanaf 28 februari 2012, derhalve ruim een jaar na de datum in geding, zodat daaruit geen conclusies kunnen worden getrokken met betrekking tot de ongeschiktheid van appellant tot het verrichten van zijn arbeid op de datum in geding. Zulks heeft evenzo te gelden voor het gegeven dat hij per

25 januari 2012 opnieuw in aanmerking is gebracht voor een ZW-uitkering.

4.5.

Ter zitting heeft appellant nog een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en daartoe verwezen naar een uitspraak van de kantonrechter te Nijmegen van 4 december 2009 en naar de uitspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2005:AU1885), waaruit in de opvatting van appellant volgt dat het Uwv in andere gevallen, met een vergelijkbaar klachtenbeeld, wel arbeidsongeschiktheid heeft aangenomen. De Raad kan appellant hierin niet volgen en wijst daartoe op het volgende. De in de uitspraak van de kantonrechter genoemde situatie heeft betrekking op een beoordeling in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en niet op de ZW en betreft reeds daarom geen vergelijkbaar geval. In de door appellant aangehaalde uitspraak van de Raad, heeft de Raad, evenals het Uwv en de rechtbank in het onderhavige geding, anders dan appellant kennelijk in deze uitspraak meent te lezen, geconcludeerd dat in die casus sprake was van een terechte hersteldmelding in het kader van de ZW.

4.6.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van

J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

16 oktober 2013.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) J.C. Hoogendoorn

HD