Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2058

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
11-7228 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand met terugwerkende kracht. Appellante beschikt niet langer over een geldige verblijfstitel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7228 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 oktober 2011, 11/3955 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2013. Namens appellant is

mr. Fischer verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1968, heeft de Ugandese nationaliteit. Zij is in 2002 naar Nederland gekomen. Op 23 januari 2007 is aan appellante een verblijfsvergunning regulier verleend onder de beperking medische noodsituatie. Appellante heeft vanaf 3 mei 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen. Nadat het college ervan op de hoogte was geraakt dat appellante vanaf 10 februari 2011 niet langer beschikte over een geldige verblijfstitel is de bijstand van appellante, bij besluit van 16 maart 2011, met ingang van 10 februari 2011 ingetrokken.

1.2.

Bij besluit van 26 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 maart 2011 gedeeltelijk gegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de bijstand niet met terugwerkende kracht kan worden beëindigd zodat de datum van beëindiging 17 maart 2011 dient te zijn.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraak. Het komt er kort gezegd op neer dat de Staat de plicht heeft om de medische, financiële en huisvestingsproblemen waarmee appellante wordt geconfronteerd te voorkomen. Het college had bij de intrekking van de bijstand appellante, in het kader van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), moeten verwijzen naar een andere instantie waar ze terecht kan voor hulp zodat voorkomen had kunnen worden dat ze dakloos werd. Het college heeft de problemen wel erkend en appellante uit het Fonds ‘gevolgen vreemdelingenwet’ een bedrag van € 375,- gegeven, maar dit is onvoldoende voor kamerhuur en levensonderhoud.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat de te beoordelen periode is beperkt tot de periode van 17 maart 2011 tot 20 mei 2011. Met ingang van 20 mei 2011 is aan appellante een uitkering toegekend door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) op grond van de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen.

4.2.

Evenmin is in geschil dat appellante geen vreemdeling is in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt appellante onder artikel 16, tweede lid, van de WWB, en kan aan haar zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen uitkering ingevolge de WWB worden toegekend.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 22 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6844 en nadien nog CRvB 28 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7174 en CRvB 7 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3985) merkt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als “the very essence” van het EVRM aan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Indien sprake is van omstandigheden die tot gevolg hebben dat de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven onmogelijk wordt gemaakt, kan sprake zijn van een zodanige aantasting van de “very essence” van artikel 8 van het EVRM dat een positieve verplichting op de Staat rust de situatie in overeenstemming te brengen met de in artikel 8 van het EVRM opgenomen waarborg. Vergelijk het arrest van het EHRM van 3 mei 2001, Domenech Pardo versus Spanje, nr. 55996/00. Daarbij is wel van belang dat bij de besteding van publieke middelen aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen. Vergelijk in verband met dat laatste het arrest van het EHRM van 27 mei 2008, N. versus het Verenigd Koninkrijk, www.echr.coe.int.

4.4.

Indien sprake is van een dergelijke positieve verplichting, dient niettemin de beperkte doelstelling van de WWB in acht te worden genomen. De wetgever heeft de categorieën vreemdelingen die door de werking van artikel 11 van de WWB geen recht op bijstand hebben, met het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de WWB, uitdrukkelijk ook buiten het bereik van de in artikel 16, eerste lid, van de WWB opgenomen hardheidsclausule gebracht. Gelet op het primaat van de wetgever, en om een door de wetgever ongewenste doorkruising van het vreemdelingenbeleid te voorkomen, kan een positieve verplichting ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB niet met toepassing van de WWB gestalte worden gegeven. Indien ten aanzien van deze vreemdelingen een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM, rust deze op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen. Daarom kan de vraag of appellante is aan te merken als een kwetsbare persoon die op grond van artikel 8 van het EVRM bijzondere bescherming geniet, in het kader van de WWB in het midden blijven.

4.5.

Hetgeen in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2013.

(getekend) M. Hillen

(getekend) J.T.P. Pot

HD