Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2055

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
12-2421 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:1163, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Maatregel. Hennepkwekerij. Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij de kwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd of mede heeft geëxploiteerd en ook overigens in het geheel geen inkomsten uit of in verband met die kwekerij heeft ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2421 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 maart 2012, 11/4327 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.M. van Wijngaarden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. M.N.R. Nasrullah, advocaat, heeft zich gesteld als opvolgend gemachtigde van appellant.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Nasrullah heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2013. Appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. Nasrullah en M. van der Kleij als tolk. Het college, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. el Fizazi. Tevens is ter zitting verschenen de door appellant opgeroepen getuige H.L. [P.] ([P.]), werkzaam als fraudespecialist in dienst van [naam B.V.].

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt vanaf 1 juni 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 13 januari 2010 is in de toenmalige huurwoning van appellant op het adres [adres 1] in [woonplaats] een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen en ontmanteld. Naar aanleiding van een fraudemelding van 29 januari 2010 in verband met de aangetroffen hennepkwekerij, hebben controleurs van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam (Dienst SZW) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is kennis genomen van de rapportage Ontmanteling hennepkwekerij [adres 1] van Roteb Service van 13 januari 2010 en van de door [P.] opgestelde rapportage diefstal energie - met bijlagen - van 14 januari 2010. Voorts hebben de controleurs appellant op 28 september 2010 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van de controleurs van 28 september 2010.

1.3.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

5 oktober 2010 de bijstand van appellant over de periode van 6 mei 2009 tot en met 13 januari 2010 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 8.861,52 van appellant terug te vorderen. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant in deze periode in zijn woning een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd en dat hij door geen opgave te doen van deze hennepkwekerij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij afzonderlijk besluit van 5 oktober 2010 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van

1 november 2010 gedurende een maand met 100% verlaagd op de grond dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor aan hem ten onrechte bijstand is verleend. Bij besluit van 1 januari 2011 heeft het college het op 31 december 2010 resterende bedrag van de terugvordering gebruteerd. Bij besluit van 29 april 2011 heeft het college afwijzend beslist op de aanvraag van appellant om een langdurigheidstoeslag ingevolge artikel 36 van de WWB op de grond dat appellant in de 60 maanden voorafgaande aan de aanvraag op 13 april 2011 inkomsten heeft gehad boven bijstandsniveau. Bij besluit van

6 september 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de beide besluiten van 5 oktober 2010 en de besluiten van 1 januari 2011 en 29 april 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant bestrijdt dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat hij niets van doen had met de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij. In december 2009 is appellant in verband met een medische behandeling naar Engeland vertrokken. Appellant heeft een kennis een huissleutel gegeven om op zijn woning te passen. Deze kennis heeft misbruik gemaakt van de situatie door een bestaande hennepkwekerij over te brengen naar de woning van appellant. Na zijn terugkeer uit Engeland heeft appellant de hennepkwekerij in zijn woning ontdekt. Aangezien de kennis van appellant niet bereid was de kwekerij te verwijderen en appellant niet in staat was hem daartoe te dwingen, heeft appellant bij de politie anoniem melding gemaakt van de kwekerij, waarna deze op 13 januari 2010 is ontmanteld. Voorts betwist appellant dat in de periode vanaf 6 mei 2009 in zijn woning een hennepkwekerij is geëxploiteerd. Volgens appellant is de rapportage diefstal energie van [P.], dat in zijn woning drie volledige hennepoogsten van elk 70 dagen hebben plaatsgevonden, onjuist, omdat de bewuste kennis van appellant niet eerder dan na het vertrek van appellant op 5 december 2009 naar Engeland met de hennepkwekerij is gestart. Bovendien hebben de politie in juni 2009 en medewerkers van de Dienst SZW in november 2009 bij het bezoek van appellant in zijn woning geen hennepteelt aangetroffen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil tussen partijen, zoals besproken ter zitting, spitst zich toe op de vraag of appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door aan het college geen opgave te doen van een hennepkwekerij in zijn woning en, zo ja, of daarvan sprake is geweest in de periode vanaf 6 mei 2009.

4.2.

Vaststaat dat op 13 januari 2010 in de toenmalige woning van appellant op de derde woonlaag een in werking zijnde hennepplantage, bestaande uit 396 planten verspreid over meerdere ruimtes met een oppervlakte van ruim 28 m², met de noodzakelijke apparatuur is aangetroffen. Eveneens staat vast dat appellant aan het college geen opgave heeft gedaan van de hennepkwekerij in zijn woning. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van

25 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7007) dient melding gemaakt te worden van het verrichten van werkzaamheden gericht op het opzetten en in bedrijf houden van een hennepkwekerij, aangezien dit wordt aangemerkt als een omstandigheid welke van belang is voor de verlening van bijstand, ongeacht of daaruit inkomsten worden genoten.

4.3.

Het feit dat in de door appellant gehuurde woning een hennepkwekerij is aangetroffen rechtvaardigt de vooronderstelling dat appellant daarvan de (mede)exploitant is geweest en dat de opbrengst (ook) hem ten goede is gekomen. Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij de kwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd of mede heeft geëxploiteerd en ook overigens in het geheel geen inkomsten uit of in verband met die kwekerij heeft ontvangen. Hij heeft geen bewijs aangedragen dat de door hem genoemde kennis met de hennepkwekerij is gestart en deze alleen heeft geëxploiteerd. De omstandigheid dat appellant gezondheidsklachten heeft en slecht ter been is, is ontoereikend om aan te nemen dat hij niet in staat was de hennepkwekerij, eventueel met hulp van een derde, te exploiteren of daarbij direct betrokken te zijn.

4.4.

Het college heeft op basis van de rapportage diefstal energie aangenomen dat de hennepteelt is aangevangen op 6 mei 2009. Daarbij is ervan uitgegaan dat de op 13 januari 2010 in de woning van appellant aangetroffen hennepplanten 42 dagen oud waren en dat er tevoren drie volledige hennepoogsten van elk 70 dagen hebben plaatsgevonden, dus in totaal 252 dagen. Frauderapporteur [P.] heeft gerapporteerd en ter zitting aan de hand van de gemaakte kleurenfoto’s toegelicht dat de waargenomen mate van kalkaanslag op het zeil op de vloer en in de afvoergoten, de dikke laag stof op de kappen van de assimilatielampen, de graad van vervuiling van het filtermateriaal van de koolstoffilters, de blubberlaag op het water en de dikke kalkaanslag in het watervat de conclusie rechtvaardigen dat er ten minste drie hennepoogsten hebben plaatsgevonden. Voorts heeft [P.] gemotiveerd dat de vervuiling ter plekke moet zijn ontstaan en daartoe onder andere gewezen dat op de contactplaatsen tussen de draagsteunen en de koolstoffilters geen vervuiling is aangetroffen. Daarbij wordt aangetekend dat op het water in het watervat een vieze blubberlaag is aangetroffen. Aannemelijk is dat deze vervuiling in de toenmalige woning van appellant is ontstaan, omdat onaannemelijk is dat bij een verplaatsing van een watervat, in dit geval naar de derde woonlaag, dit vat niet zou zijn geleegd. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat de rapportage diefstal energie niet zorgvuldig tot stand is gekomen of inhoudelijk niet juist zou zijn. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat fraudespecialist [P.], die ter zitting heeft verklaard gedurende 12 jaar als zodanig werkzaam te zijn, onvoldoende deskundig zou zijn. De omstandigheid dat [P.] geen expert is op het gebied van het kweken van cannabis, betekent niet dat hij onvoldoende kennis heeft om een verantwoorde schatting te maken van de groeifase van de aangetroffen hennepplanten en het aantal oogsten in de betreffende ruimte. Appellant heeft ter zitting weliswaar bestreden dat een volledige hennepteelt 70 dagen in beslag neemt, maar heeft daarvoor geen concrete gegevens aangedragen. Bovendien heeft hij gesteld dat de duur van een hennepteelt variabel is en dat die ook beduidend meer dan

70

dagen in beslag kan nemen. Daarom bestaat geen aanleiding om af te wijken van een gemiddeld aantal van 70 dagen per hennepoogst.

4.5.

Volgens appellant kan de hennepkwekerij niet op 6 mei 2009 zijn gestart omdat hij in juni 2009 in zijn woning is bezocht door politie en in november 2009 door medewerkers van de Dienst SZW. Bij die bezoeken had op basis van geur, geluid en warmte de aanwezigheid van een hennepkwekerij moeten zijn ontdekt, waarna ongetwijfeld actie zou zijn ondernomen en dat is toen niet gebeurd. Dit standpunt kan niet worden onderschreven reeds omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de politie en medewerkers van de dienst SZW zijn woning zijn binnengegaan. Uit de brief van de politie van 14 mei 2009 blijkt alleen dat tevergeefs is getracht appellant te bezoeken om een achterstallige geldboete te innen en de gemachtigde van het college heeft ter zitting meegedeeld dat in het dossier van appellant geen aanwijzingen zijn gevonden dat medewerkers van de Dienst SZW in november 2009 een huisbezoek aan appellant hebben afgelegd. Evenmin heeft appellant aannemelijk gemaakt dat, zoals hij stelt, toenmalige buren van hem in december 2009 hebben waargenomen dat er planten, apparatuur en dergelijke van een bestaande hennepkwekerij zijn woning zijn binnengebracht.

4.6.

Appellant heeft geen concrete en verifieerbare gegevens verstrekt over de aanvang van de kwekerij, de productie en de afzet. Evenmin heeft hij een administratie bijgehouden. Aldus heeft appellant met betrekking tot het kunnen vaststellen van de start van de kwekerij een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen geheel voor zijn rekening dienen te blijven. Met de schatting dat in de woning van appellant met ingang van 6 mei 2009 een hennepkwekerij is geëxploiteerd, is het college niet buiten de grenzen van de zorgvuldigheid getreden. Tegen de bij het bestreden besluit gehandhaafde besluiten van 1 januari 2011 en 29 april 2011 heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2013.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) A.C. Oomkens

HD